C-494/21 Eircom

Contentverzamelaar

C-494/21 Eircom

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    13 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    29 november 2021

Trefwoorden : universele dienstverlening, telecommunicatie

Onderwerp :

-           Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn)

-           Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn)

Feiten:

Verweerster (de commissie voor communicatieregelgeving) heeft verzoekster (een telecommunicatiebedrijf) op 30-6-2010 aangewezen als USP (aanbieder van een universele dienst) met betrekking tot de aanbieding van toegang op vaste locaties voor een periode van twee jaar en met betrekking tot alle overige aspecten van de UDV (universeledienstverplichtingen). In daaropvolgende beschikkingen is verzoekster opnieuw aangewezen voor bepaalde aspecten van de universele dienst en zijn de voorwaarden en verplichtingen vanwege de situatie op de markt aangepast. Verzoekster is de enige USP voor de aanbieding van toegang op vaste locaties, spraakdiensten en openbare betaaltelefoons. Verzoekster heeft vijf verzoeken ingediend voor de financiering van de nettokosten van de UDV. Verweerster heeft vijf beschikkingen gepubliceerd, waarin zij oordeelt dat de positieve nettokosten van verzoekster inzake de vervulling van de UDV in geen enkel geval een onredelijke last vormden voor verzoekster. Tegen deze beschikkingen heeft verzoekster beroep ingesteld.

Overweging:

Partijen verschillen van mening over de betekenis van de conclusies van het Hof in het arrest C-389/08 Base en de toepassing daarvan bij de beoordeling of er sprake is van een onredelijke last indien er op de markt slechts één USP is, en over de vraag welke toets moet worden gehanteerd bij de bepaling wat meer in het algemeen een onredelijke last is. De aangevoerde jurisprudentie biedt geen oplossing voor de onderhavige situatie, waardoor de verwijzende rechter een richtsnoer van het Hof noodzakelijk acht.

Prejudiciële vraag:

Gegeven de situatie waarin:

(i)        de telecommunicatiemarkt is geliberaliseerd en er op deze markt diverse aanbieders van telecommunicatiediensten zijn;

(ii)        de nationale regelgevende instantie (hierna: „NRI”) één dienstenaanbieder (hierna: „aanbieder van de universele dienst” of „USP”) heeft geselecteerd om universeledienstverplichtingen (hierna: „UDV’s”) te vervullen;

(iii)       de NRI heeft vastgesteld dat bij de vervulling van UDV’s sprake is van positieve nettokosten (hierna: „nettokosten van de UDV”); en

(iv)       de NRI heeft vastgesteld dat de nettokosten van de UDV aanzienlijk zijn, vergeleken met de administratieve kosten van de invoering van een gezamenlijke financieringsregeling voor marktpartijen ten aanzien van de nettokosten van de UDV:

Indien de NRI op grond van haar verplichtingen krachtens de Universeledienstrichtlijn 2002/22 moet bepalen of de nettokosten van de UDV onevenredig hoog zijn ten opzichte van de draagkracht van de betrokken USP, gelet op alle kenmerken van de USP, met name het niveau van zijn uitrusting, zijn economische en financiële situatie en zijn marktaandeel (zie punt 42 van het arrest Base), mag de NRI dan krachtens de richtlijnen bij die beoordeling uitsluitend de kenmerken/situatie van de USP in aanmerking nemen of moet de NRI de kenmerken/situatie van de USP beoordelen ten opzichte van zijn concurrenten op de betrokken markt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-389/08; C-222/08 Commissie/België

Specifiek beleidsterrein: EZK