C-496/25 Lin III 

Contentverzamelaar

C-496/25 Lin III 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 september 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     2 november 2025

Trefwoorden: financiële belangen van de Unie, fraude, lex mitior beginsel, voorrang Unierecht

Onderwerp: VWEU: artikelen 2 en 325; Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de belangen van de Europese Gemeenschappen: artikel 2, lid 1; VEU: artikelen 2 en 4; Handvest EU: artikel 20, artikel 49, lid 1, artikel 52, lid 3 en artikel 53.

Deze zaak draait om een strafprocedure tegen elf verdachten van georganiseerde btw-fraude in een vereniging. De strafrechtelijke aansprakelijkheid werd in eerste aanleg verjaard verklaard. De verwijzende rechter twijfelt of een vereniging die fraude voorbereidt al kan worden gezien als een vorm van ‘fraude of onrechtmatige activiteit die de financiële belangen van de Unie schaadt’ (artikel 325 VWEU). Daarnaast is het de vraag of de nationale toepassing van het lex-mitiorbeginsel bij de stuiting van verjaring voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, die verplicht tot toepassing van de meest gunstige regeling voor de verdachte, verenigbaar is met de Unierechtelijke verplichting om de financiële belangen van de Unie doeltreffend te beschermen. 

Prejudiciële vragen: 
1) Moeten artikel 325 [VWEU], artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (hierna: „BFB-overeenkomst”) aldus worden uitgelegd dat een vereniging van meerdere personen die tot oogmerk heeft om btw-fraude te plegen kan worden beschouwd als fraude of een andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, ongeacht of de fraude, die het doel vormt van de vereniging, daadwerkelijk wordt gepleegd? 

2) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 2, artikel 4, leden 2 en 3, [VEU], artikel 2, lid 2, en artikel 325, lid 1, VWEU en artikel 2, lid 1, van de [BFB-overeenkomst], zoals uitgelegd in het arrest van het Hof [van 24 juli 2023, Lin, C-107/23 PPU, EU:C:2023:606 (hierna: „arrest Lin”)], [alsmede] artikel 20, artikel 49, lid 1, artikel 52, lid 3, en artikel 53 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: „Handvest”)] aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter in strafrechtelijke procedures wegens strafbare feiten ter zake van btw en daaraan verbonden strafbare feiten, de nationale beschermingsnorm met betrekking tot het beginsel van de lex mitior die voortvloeit uit de bindende rechtspraak van de hoogste rechterlijke instantie van die lidstaat en volgens welke procedurele handelingen die zijn verricht vóór de ongeldigverklaring van de nationale wettelijke bepaling over de gronden voor stuiting van de verjaringstermijnen voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet tot stuiting van de verjaring leiden, buiten toepassing moet laten wanneer: 

a. de niet-toepassing van deze nationale norm onverenigbaar is met het grondwettelijk beginsel van het verbod op de toepassing van de lex tertia; 
b. op grond van deze nationale rechtspraak kan worden geoordeeld dat de algemene verjaringstermijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid vóór het arrest [Lin] is verstreken; 

c. de niet-toepassing van deze nationale norm op grond van het Unierecht tot gevolg heeft dat een beschermingsniveau voor de in het Handvest verankerde grondrechten wordt geboden dat niet gelijkwaardig is aan of vergelijkbaar is met de bescherming die wordt geboden door artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens [hierna: „EVRM”]; 

d. het nationale recht niet voorziet in specifieke criteria aan de hand waarvan de rechter van de lidstaat vooraf kan beoordelen in hoeverre een stelselmatig risico van straffeloosheid voortvloeit uit de toepassing van deze nationale norm ter zake van ernstige fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-107/23 PPU Lin; C-617/10; C-42/17 M.A.S. en M.B.; C-574/15; C-357/19, C-379/19, C-547/19, C-811/19 en C-840/19 Euro Box Promotion e.a.; C-689/13 PFE; C-582/21 Profi Credit Polska.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; JenV