C-499/25 Strinotto
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 26 februari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 12 april 2026
Trefwoorden: EAB (Europees aanhoudingsbevel), evenredigheidsbeginsel, minder ingrijpend instrument, EOB (Europees Onderzoeksbevel) Onderwerp: Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken: Artikel 24, overweging 25, overweging 26.
B.C. verblijft in Italië en is verdachte in een Kroatische strafprocedure wegens belastingfraude. Ondanks meerdere oproepingen verschijnt zij niet ter terechtzitting, waarna Kroatië een Europees aanhoudingsbevel (EAB) heeft uitgevaardigd. Het EAB strekt uitsluitend tot het verzekeren van haar fysieke aanwezigheid bij het strafproces. B.C. is in Italië aangehouden. Zij heeft niet ingestemd met overlevering, maar wel verklaard bereid te zijn aan het proces in Kroatië deel te nemen, bijgestaan door haar advocaten. Het Kroatische recht voorziet niet in deelname van de verdachte via videoconferentie.
De Italiaanse rechter wijst erop dat een EAB leidt tot vrijheidsbeneming (overlevering en detentie) en vraagt zich af of dit, gelet op het evenredigheidsbeginsel van artikel 5 VEU en overweging 26 van richtlijn 2014/41, gerechtvaardigd is wanneer het enige doel is de aanwezigheid van de verdachte bij het proces te verzekeren. De verwijzende rechter vraagt het Hof of een minder ingrijpend instrument, zoals een Europees onderzoeksbevel voor deelname per videoconferentie, een effectief alternatief kan vormen.
Prejudiciële vragen: 1. Staat artikel 24 van richtlijn 2014/41/EU, voor zover daarin is bepaald dat de uitvaardigende autoriteit een [Europees onderzoeksbevel (EOB)] tevens kan uitvaardigen met het oog op het verhoren van een verdachte of een beschuldigde persoon per videoconferentie of met andere audiovisuele transmissiemiddelen, gelezen in het licht van de overwegingen [25] en 26 van deze richtlijn, toe dat een EOB wordt uitgevaardigd met het oog op het verhoren per videoconferentie van een verdachte die in de uitvoerende staat niet in hechtenis zit, teneinde zijn aanwezigheid bij en deelname aan de lopende strafprocedure in de uitvaardigende staat te waarborgen?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in het geval er al een ‚procedureel’ [Europees aanhoudingsbevel (EAB]) is uitgevaardigd (met het oog op strafvervolging) dat louter tot doel heeft te waarborgen dat de verdachte deelneemt aan het proces in de uitvaardigende staat, verzoeken om het EAB in te trekken en een EOB uit te vaardigen voor het verhoren van de verdachte per videoconferentie teneinde te waarborgen dat deze aanwezig is bij en deelneemt aan het lopende strafproces in de uitvaardigende staat?
3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende staat het EAB intrekken en in plaats daarvan een EOB uitvaardigen voor het verhoren van de verdachte per videoconferentie teneinde te waarborgen dat deze aanwezig is bij en deelneemt aan het lopende strafproces in de uitvaardigende staat?
4. Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, kan of moet de uitvaardigende staat het EAB intrekken, wanneer de verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig wil zijn bij het lopende strafproces in deze staat en zijn raadslieden hebben verzekerd dat zij de verdachte tijdens de terechtzitting in het strafproces bij de rechter van de uitvaardigende staat zullen vergezellen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-241/15 Bob-Dogi.
Specifiek beleidsterrein: JenV