C-508/14 T-Mobile Czech Republic et Vodafone Czech Republic

Contentverzamelaar

Terug C-508/14 T-Mobile Czech Republic et Vodafone Czech Republic

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   07 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   24 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   24 februari 2015
Trefwoorden: telecommunicatie (universele dienstRL)

Onderwerp
Richtlijn 2002/22/EG (universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en –diensten)

Verzoeksters hebben rechtsmiddelen ingesteld tegen een uitspraak van de Rb Praag van 04-12-2013 waarbij hun verzoek om nietigverklaring is afgewezen van een besluit van de TSJ telecomAut CTU (verweerster). Met dit besluit werd de vordering toegewezen van twee andere telecombedrijven tot vaststelling van de hoogte van het verlies als gevolg van het aanbieden van de universele dienst in 2004. Verzoeksters stellen dat de TSJ Telecomwet en het in 2004 geldende Besluit in strijd waren met de RL, die rechtstreeks had moeten worden toegepast. Zij bestrijden de juistheid van de berekening van het verlies: het zou te groot zijn vooral waar het gaat om managementkosten, terwijl de immateriële voordelen er niet in verdisconteerd zijn. Dit levert strijd op met RL 2002/22. O2, één van de aangevallen partijen en aanbieder van telecomdiensten sinds 2002, stelt daarentegen dat het verlies zelfs te klein is omdat niet het deel van de kosten dat noodzakelijkerwijs in het verleden is gemaakt om de universele dienst zeker te stellen is inbegrepen, en het evenmin het verlies omvat als gevolg van het in de volle omvang aanbieden van de universele dienst zoals voorgeschreven door de TSJ Telecomwet.
Verweerster stelt dat haar afwijzing is gebaseerd op het TSJ Besluit waarin is bepaald welke diensten als verliesgevend worden beschouwd. De door verzoeksters genoemde factoren spelen daarin geen rol. Het gaat om diensten die gratis of tegen een fractie van de kostprijs worden aangeboden. Verweerster is niet verplicht om het bestaan van een onredelijke last in de zin van de RL te onderzoeken, aangezien de omvang daarvan al door de regelgever is vastgelegd in het mechanisme voor de vaststelling van verlies zoals vervat in de TSJ bepalingen.
De Rb verklaart het besluit van verweerster nietig wegens schending van de RL. De strijdigheid is pas weggenomen door een nieuwe wet die op 1 mei 2005 in werking is getreden. Er was geen belemmering voor rechtstreekse werking van de RL omdat O2 een ‘overheidsbedrijf’ is: de staat beschikt over een meerderheid van de aandelen.
Verweerster tekent cassatieberoep aan. Zij bestrijdt het oordeel van de Rb dat O2 (in 2004) wegens het meerderheidsbelang van de staat als overheidsinstelling beschouwt (geen 100%-belang). Van rechtstreekse werking kan dan ook geen sprake zijn. Zij wijst ook op de toetredingsdatum van TSJ (1 mei 2004) en dat de RL dan ook pas vanaf die datum tot eind 2004 had mogen worden toegepast.

De verwijzende TSJ cassatierechter gaat deels mee met de redenering van de Rb, maar meent dat het niet mogelijk is aan verweersters opvatting over de nettokosten voorbij te gaan. Daarnaast is hij van mening dat O2 een particulier bedrijf is, aangezien de staat niet over 100% van de aandelen beschikte. Het vaststellen van de grenzen van het begrip „overheidsentiteit” is in het bijzonder relevant in de EULS van het vroegere ‘oostblok’. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1. Moeten de artikelen 12 en 13 van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten („de Richtlijn”) aldus worden uitgelegd dat het daarin vervatte begrip „nettokosten” voor het aanbieden van die dienst eraan in de weg staat dat een „redelijke winstmarge” wordt opgenomen in het bedrag van de vastgestelde nettokosten van die dienst?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hebben die bepalingen van de richtlijn (de artikelen 12 en 13) dan rechtstreekse werking?
3. Indien de artikelen 12 en 13 van de Richtlijn rechtstreekse werking hebben, mag die werking dan worden ingeroepen tegen een commercieel bedrijf waarin een lidstaat 51 % van de aandelen houdt (beheert) – in dit geval, O2 Czech Republic, a.s. (is het een „overheidsentiteit”) of niet?
4. Indien de eerste drie vragen bevestigend worden beantwoord, mag de Richtlijn dan ook worden toegepast op betrekkingen die zijn ontstaan vóór de toetreding van Tjechië tot de Europese Unie (van 1 januari tot en met 30 april 2004)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-201/02 Wells; C-222/08 CIE/BEL
Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten