C-509/14 Aira Pascual ea

Contentverzamelaar

Terug C-509/14 Aira Pascual ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   29 december 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   15 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   15 februari 2015
Trefwoorden: sociale zekerheid; ontslag; overgang van ondernemingen; overheidsbedrijf

Onderwerp
Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen.

Verzoeker is werknemer bij spoorbedrijf ALGEPOSA Terminales Ferroviarios. Dit bedrijf heeft een dienstverleningsovereenkomst met spoorinfrastructuurbeheerder ADIF, een overheidsbedrijf. In juli 2013 wordt de dienstverleningsovereenkomst niet meer verlengd en volgt collectief ontslag voor de werknemers van Algeposa, zo ook voor verzoeker. Volgens het werknemersstatuut zouden de werknemers van Algeposa echter moeten worden overgenomen door ADIF. Verzoeker stapt naar de rechter en eist nietigverklaring/ kennelijk onredelijk verklaring/wedertewerkstelling en loondoorbetaling dan wel schadevergoeding wegens het collectieve ontslag. Later betrekt hij ALGEPOSA en het loongarantiefonds FOGASA bij de procedure.
In eerste instantie wordt het ontslag onredelijk verklaard en krijgt ADIF de keuze: weer in dienst nemen en doorbetalen of schadevergoeding – het laatste heeft plaatsgevonden. Verzoeker moet dan het bedrag dat ALGEPOSA hem heeft uitbetaald wegens beëindiging terugbetalen. ADIF gaat in beroep tegen de uitspraak. Hij stelt niet verplicht te zijn tot
deinplaastreding wat het dienstverband van verzoeker e.a. betreft en eist subsidiair verlaging van de schadevergoeding.
ADIF meent dat het stellen van een prejudiciële vraag in het hoger beroep niet nodig is omdat geen sprake is van het overgaan van activa die worden gebruikt voor de uitvoering van de werkzaamheden, terwijl dit bij de overneming van dienstverleningsovereenkomsten vereist is volgens jurisprudentie van het hoogste SPA gerechtshof. Het OM verzet zich niet tegen een prejudiciële vraag omdat dan kan worden achterhaald of het al dan niet gaat om een overgang van een onderneming in de zin van de SPA regelgeving en de RL.

De verwijzende SPA rechter (Gerechtshof Baskenland) twijfelt over de strekking van artikel 1, sub b, juncto artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23, en legt dan ook de onderstaande vraag voor aan het HvJEU:
“Verzet artikel l, sub b, juncto artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 zich ertegen dat de Spaanse wettelijke regeling tot uitvoering daarvan aldus wordt uitgelegd dat een overheidsbedrijf dat met zijn werkzaamheden samenhangende diensten exploiteert waarvoor specifieke materiële middelen nodig zijn, niet het personeel hoeft over te nemen van het bedrijf waaraan de uitvoering van die diensten was opgedragen middels een dienstverleningsovereenkomst volgens welke de opdrachtnemer verplicht was de genoemde middelen, welke zijn eigendom zijn, te gebruiken, wanneer het overheidsbedrijf besluit om de dienstverleningsovereenkomst niet te verlengen en de diensten zelf uit te voeren met gebruikmaking van zijn eigen personeel, en niet langer dat van de opdrachtnemer, zodat de dienstverlening ongewijzigd wordt voortgezet, maar dan door werknemers die bij een andere werkgever werken?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-232/04 en C-233/04 luchthaven Düsseldorf; C-466/07 Klarenberg
Specifiek beleidsterrein: SZW en BZK

Gerelateerde documenten