C-513/25 en C-514/25 EDEKA e.a.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 15 oktober 2025 Schriftelijke opmerkingen: 1 december 2025
Trefwoorden: bouwvergunning, geluidshinder, procesbelangen van verzoeker, vervaltermijn beroep
Onderwerp: Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten: artikel 4, lid 2, en bijlage II, punt 10, onder b, en artikel 11, lid 3; Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden: artikel 9, leden 2 en 3; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: artikel 47.
C-513/25 Verzoeker en zijn echtgenote zijn mede-eigenaren van een woning en grond. Op het aangrenzend perceel wordt door de gemeente Euskirchen een bouwvergunning afgegeven om de supermarkt EDEKA te bouwen. Verzoeker is het hier niet mee eens en stelt middels een verzoekschrift beroep in bij de verwijzende rechter. Daarbij vroeg verzoeker om een termijn van twee manden om zijn beroep te motiveren. Dit termijn zou ingaan nadat hij inzage had gekregen in het bouwdossier van de gemeente. Ondanks de herhaaldelijke verlengingen van dit termijn, overschreed verzoeker de wettelijke termijn van tien weken, waardoor zijn beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de nationale procedurele regels die leiden tot verval van het recht om beroep te doen bij het niet tijdig motiveren van een beroep in lijn is met het Unierecht, en hoe de procedurele waarborgen van verzoekers in milieuaangelegenheden moet worden gegarandeerd.
C-514/25 De vragen en overwegingen in deze zaak zijn identiek aan die in zaak C-513/25
Prejudiciële vragen: 1. Moet het Unierecht, in het bijzonder het Unierechtelijke beginsel van een eerlijke en billijke gerechtelijke procedure in milieuaangelegenheden, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in het procesrecht kunnen bepalen dat een individuele verzoeker die opkomt tegen een vergunning voor een stadsontwikkelingsproject dat naar nationaal recht is onderworpen aan een voorafgaande beoordeling overeenkomstig artikel 4, lid 2, en bijlage II, punt 10, onder b), van richtlijn 2011/92/EU, geconfronteerd wordt met een verval van recht indien hij een termijn van tien weken voor de motivering van zijn beroep na instelling daarvan niet in acht neemt (§ 6 van het Umwelt-Rechtsbehelfsgesetz [wet beroepsgangen in milieuaangelegenheden])?
2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Overschrijdt een lidstaat zijn door het Unierecht gewaarborgde procedurele autonomie bij de organisatie van zijn procesrecht in milieuaangelegenheden, door de in de eerste vraag bedoelde individuele verzoeker, die in de procedure voor de bestuursrechter in eerste aanleg niet door een advocaat hoeft te worden vertegenwoordigd, geen informatie te verstrekken over de voorwaarden en de gevolgen van verval van recht binnen de procedure op grond van § 6 van het Umwelt-Rechtsbehelfsgesetz?
3. Indien de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet het Unierecht, in het bijzonder het Unierechtelijke beginsel van een eerlijke en billijke gerechtelijke procedure in milieuaangelegenheden, aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van een lidstaat het betoog van een individuele verzoeker zoals bedoeld in de eerste vraag kan uitsluiten op grond van overschrijding van de termijn van tien weken voor de motivering van het beroep overeenkomstig § 6 van het Umwelt-Rechtsbehelfsgesetz, wanneer die rechter de individuele verzoeker eerder, op diens verzoek, ruimhartige termijnen heeft toegekend om zijn beroep te onderbouwen na raadpleging van het dossier en deze termijnen herhaaldelijk heeft verlengd?
4. Indien de eerste tot en met de derde vraag aldus worden beantwoord dat verval van recht op grond van § 6 van het Umwelt-Rechtsbehelfsgesetz mogelijk is: Vloeit uit het Unierecht, in het bijzonder artikel 11, lid 3, van richtlijn 2011/92/EU, artikel 9, leden 2 en 3, van het Verdrag van Aarhus en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voort dat de individuele verzoeker in milieuaangelegenheden het recht heeft om beroep in rechte in te stellen, wanneer hij (na uitsluiting van zijn overige betoog) „afzonderlijk” opkomt tegen een voorafgaande beoordeling voor een stadsontwikkelingsproject die de autoriteit heeft verricht op grond van het nationale recht junctis artikel 4, lid 2, en bijlage II, punt 10, onder b), van richtlijn 2011/92/EU, en waarbij de geluidsoverlast van verzoeker als toelaatbaar werd beoordeeld?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-137/14 (Land Nordrhein-Westfalen); C-73/16 (Puškár); C-826/18 (Varkens in Nood); C-243/15 (Slowaakse bruine beer II); C-873/19 (Deutsche Umwelthilfe); C-664/15 (Protect); C-137/14 (Commissie/Duitsland); C-535/18 (Land Nordrhein-Westfalen); C-197/18 (Wasserleitungsverband Nördliches Burgenland e.a.)
Specifiek beleidsterrein: IenW