C-517/23 Apothekerkammer Nordrhein

Contentverzamelaar

C-517/23 Apothekerkammer Nordrhein

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 oktober 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    26 november 2023

Trefwoorden: geneesmiddelen, reclameacties

Onderwerp: Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67) in de versie van richtlijn (EU) 2022/642 van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2022: met name titel VIII en VIII bis (artikel 86 tot en met 100), artikel 87, lid 3, en artikel 88, lid 1, onder a).

Feiten:

De verzoekende partij, DocMorris NV, is een Nederlandse postorderapotheek die vrij verkrijgbare en receptgeneesmiddelen per postorder levert aan eindgebruikers in Duitsland. De verwerende partij, Apothekerkammer Nordrhein, is de beroepsorganisatie van apothekers in de regio Nordrhein. DocMorris maakt sinds 2012 reclame voor verschillende kortingsacties waarbij klanten die receptgeneesmiddelen kochten een voordeel werd beloofd in de vorm van diverse kortingen. De verwerende partij beschouwt deze reclameacties als een inbreuk op de in het geneesmiddelenrecht vastgelegde vaste prijzen voor receptgeneesmiddelen en heeft daarom in de jaren 2013 tot en met 2015 vijf voorlopige verbodsmaatregelen tegen DocMorris verkregen. Deze voorlopige maatregelen werden telkens opgeheven wegens gewijzigde omstandigheden in het licht van het arrest van het Hof van 19 oktober 2016 in de zaak C-148/15 Deutsche Parkinson Vereinigung. DocMorris vordert schadevergoeding op grond dat de voorlopige maatregelen van meet af aan ongerechtvaardigd waren. Het rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft DocMorris onder meer verzocht om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

Overweging:

De eerste prejudiciële vraag betreft de vraag of de hier aan de orde zijnde reclame voor de aankoop van receptgeneesmiddelen uit het gehele productassortiment van een apotheek binnen de werkingssfeer van de voorschriften inzake reclame voor geneesmiddelen van richtlijn 2001/83 valt. De verwijzende rechter twijfelt of reclame voor de aankoop van receptgeneesmiddelen uitsluitend moet worden beschouwd als reclame voor verkoopdiensten – die volgens de rechtspraak van het Hof niet onder richtlijn 2001/83 valt – en niet als reclame voor geneesmiddelen, omdat de patiënt bij een dergelijke reclame niet meer het – reeds voorgeschreven – geneesmiddel kan en mag kiezen, maar enkel nog een apotheek. Indien de reclame voor de aankoop van receptgeneesmiddelen uit het gehele productassortiment van een apotheek binnen de werkingssfeer van de reclamevoorschriften van richtlijn 2001/83 valt, wenst de verwijzende rechter te vernemen of het verenigbaar is met de voorschriften van titel VIII, en in het bijzonder met artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83, om een nationale bepaling aldus uit te leggen dat zij het promoten van het gehele assortiment aan receptgeneesmiddelen van een in een andere lidstaat gevestigde postorderapotheek door middel van reclamegeschenken in de vorm van vouchers voor een geldbedrag of een procentuele korting op de latere aankoop van andere producten verbiedt. Met de derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te laten verduidelijken of het verenigbaar is met de voorschriften van titel VIII, en in het bijzonder met artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83, om een nationale bepaling aldus uit te leggen dat het promoten van het gehele assortiment aan receptgeneesmiddelen van een in een andere lidstaat gevestigde postorderapotheek door middel van reclamegeschenken in de vorm van rechtstreeks werkende prijsverminderingen en betalingen is toegestaan. Volgens de verwijzende rechter kan niet worden aangenomen dat een verbod van reclame met geldelijke voordelen voor receptgeneesmiddelen reeds gerechtvaardigd is op grond van artikel 88, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/83, dat overeenkomstig overweging 44 van die richtlijn de lidstaten verplicht publieksreclame voor receptgeneesmiddelen te verbieden.

Prejudiciële vragen:

1. Valt reclame voor de aankoop van receptgeneesmiddelen uit het gehele productassortiment van een apotheek binnen de werkingssfeer van de bepalingen inzake reclame voor geneesmiddelen die zijn neergelegd in richtlijn 2001/83 (titels VIII en VIII bis, artikelen 86 tot en met 100)?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het met de bepalingen van titel VIII en in het bijzonder met artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 verenigbaar om een nationale bepaling [in casu § 7, lid 1, eerste volzin, tweede deel, punt 2, eerste alinea, onder a), HWG (Gesetz über die Werbung auf dem Gebiete des Heilwesens)] aldus uit te leggen dat zij in de weg staat aan het maken van reclame voor het gehele assortiment aan receptgeneesmiddelen van een in een andere lidstaat gevestigde postorderapotheek door middel van reclamegeschenken in de vorm van vouchers voor een geldbedrag of een procentuele korting op de latere aankoop van andere producten verbiedt?

3. Eveneens indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Is het met de bepalingen van titel VIII en in het bijzonder met artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 verenigbaar om een nationale bepaling [in casu § 7, lid 1, eerste volzin, tweede deel, punt 2, eerste alinea, onder a), HWG] aldus uit te leggen dat zij toestaat dat reclame wordt gemaakt voor het gehele assortiment aan receptgeneesmiddelen van een in een andere lidstaat gevestigde postorderapotheek door middel van reclamegeschenken in de vorm van rechtstreeks werkende prijsverminderingen en betalingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-148/15 Deutsche Parkinson Vereinigung; C-374/05 Gintec; C-649/18 A; C-190/20 DocMorris; C-530/20 EUROAPTIEKA

Specifiek beleidsterrein: VWS

Gerelateerde documenten