C-524/20 VÍTKOVICE STEEL  

Contentverzamelaar

C-524/20 VÍTKOVICE STEEL  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     2 februari 2021

Trefwoorden : emissierechten; installaties;

Onderwerp :

-           Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;

-           Besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 betreffende nationale uitvoeringsmaatregelen voor de voorlopige kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad;

-           Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad;

Feiten:

Verzoekster heeft t/m 30-11-2015 een installatie (hoogoven I, hierna: de litigieuze installatie) geëxploiteerd. De litigieuze installatie heeft hiervoor vloeibare ruwijzer afgenomen van de installatie van ArcelorMittal Ostrava. Het geschil tussen verzoekster en verweerder betreft de vraag of voor de periode 2013–2020 kosteloos emissierechten aan verzoekster dienden te worden toegewezen in verband met de exploitatie van de litigieuze installatie. Verzoekster stelt dat dit wel het geval is omdat haar proces in bijlage I van besluit 2011/278 wordt aangemerkt als een van de processen waarvoor kosteloos emissierechten worden toegewezen. Verweerder was het aanvankelijk eens met dit standpunt, maar de Commissie wees dit af met besluit 2013/448. Volgens de Commissie produceert de litigieuze installatie zelf geen vloeibaar ruwijzer, maar wordt het afgenomen van een andere installatie, wat het risico van dubbeltelling meebrengt. Verweerder’s oplossing om kosteloos emissierechten toe te wijzen op voorwaarde dat het risico van dubbeltelling van de rechten zou worden weggenomen werd tevens afgewezen door de Commissie. Volgens de Commissie moesten alle kosteloze emissierechten worden toegewezen aan ArcelorMittal Ostrava. Verzoekster en ArcelorMittal Ostrava zouden dan onderling (civielrechtelijk) een deel van de rechten kunnen verdelen. Vervolgens heeft verweerder voor de periode 2013–2020 een hoeveelheid emissierechten kosteloos aan verzoekster toegewezen maar geen emissierechten aan de litigieuze installatie. Verzoekster maakte hiertegen bezwaar, welke werd afgewezen bij besluit van de minister. Daarop stelde verzoekster beroep in, dat tevens werd afgewezen. Hierop stelde verzoekster cassatieberoep in, welke werd toegewezen. Hierbij werd de beslissing in eerste aanleg vernietigd, alsmede de besluiten inzake de verdeling van de emissierechten. Vervolgens heeft verweerder aan verzoekster precies dezelfde hoeveelheid emissierechten voor de periode 2013–2020 kosteloos toegewezen als in het primaire besluit van 2014. Verzoekster heeft tegen dit besluit opnieuw bezwaar gemaakt, maar bij besluit van de minister is dit bezwaar afgewezen. Tegen dit laatste besluit van de minister heeft verzoekster opnieuw beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

Het voorwerp van de eerste vraag en de kern van de hele zaak is de kwestie of voor de periode 2013–2020 krachtens het Unierecht kosteloos emissierechten aan verzoekster dienden te worden toegewezen met betrekking tot de litigieuze installatie.

Prejudiciële vragen:

1. Vereist artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, dat voor de periode 2013–2020 kosteloos emissierechten worden toegewezen aan een installatie waarin een procedé wordt uitgevoerd waarbij gebruik wordt gemaakt van een oxystaaloven en waarbij als input met koolstof verzadigd vloeibaar ijzer wordt gebruikt dat afkomstig is van een andere installatie van een andere exploitant, indien tegelijkertijd wordt gewaarborgd dat dubbeltelling of dubbele toewijzing van emissierechten voor vloeibaar ruwijzer wordt voorkomen?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: is artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, ongeldig met betrekking tot vloeibaar ruwijzer wegens strijdigheid met artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij, in voorkomend ongeldig wegens de onbegrijpelijkheid ervan?

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: is, gelet op het wegvallen van de rechtsgrondslag ervan, ook artikel 1, lid 1, van besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 ongeldig met betrekking tot de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05?

4. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten artikel 1, lid 1, en artikel 1, lid 2, derde alinea, van besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 met betrekking tot de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ-0102-05 aldus worden uitgelegd dat er emissierechten voor het vloeibare ruwijzer van die installatie kunnen worden toegewezen op basis van een nieuwe aanvraag van de Tsjechische Republiek, indien dubbeltelling en dubbele toewijzing van de rechten worden uitgesloten?

5. Indien de vierde vraag ontkennend wordt beantwoord: is artikel 1, lid 1, van besluit 2013/448/EU van de Commissie van 5 september 2013 ongeldig met betrekking tot de installatie met de identificatiecode CZ-existing-CZ-52-CZ- 0102-05 wegens strijdigheid met artikel 10, lid 8, van besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011, gelezen in samenhang met bijlage I daarbij?

6. Indien de derde, vierde of vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord: hoe moet de autoriteit van de lidstaat in overeenstemming met het Unierecht te werk gaan indien zij in strijd met het Unierecht heeft nagelaten kosteloos emissierechten toe te wijzen aan de exploitant van een installatie waarin een procedé met gebruikmaking van een oxystaaloven wordt uitgevoerd, wanneer de betrokken installatie niet meer in bedrijf is en de periode waarvoor de emissierechten zijn toegewezen reeds is verstreken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Cilfit 28/81; International Fruit Company e.a. 21/72-24/72; Eurobolt C-644/17; TWD Textilwerke Deggendorf C-188/92; Georgsmariengütte e.a. C-135/16; Cassa di Risparmio di Firenze e.a. C-222/04; DK Recycling und Roheisen/Commissie T-630/13; Trinseo Deutschland C-577/16; Borealis e.a. C-180/15;

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW