C-528/21 M.D.

Contentverzamelaar

C-528/21 M.D.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    18 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    4 december 2021

Trefwoorden : inreis- en verblijfsverbod, intrekking verblijfskaart

Onderwerp :

-           Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

-           Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

Feiten:

Verzoeker bezit de Servisch-Kosovaarse nationaliteit en woont sinds 2002 in Hongarije met zijn moeder en zijn Hongaarse partner, met wie hij een minderjarig kind heeft dat eveneens de Hongaarse nationaliteit bezit. Verzoeker heeft een duidelijke binding met het land en is kostwinner. Sinds 31-5-2003 heeft hij een verblijfsvergunning die meerdere malen verlengd is. Tevens heeft hij, als familielid van een minderjarig Hongaars kind, een verblijfskaart met een geldigheidsduur tot 20-5-2021. Verweerder heeft verzoekers aanvraag van 12-6-2018 voor een permanente verblijfskaart afgewezen met de motivering dat verzoekers verblijfsrecht was komen te vervallen. Dit besluit is gebaseerd op een advies van de Hongaarse dienst voor de bescherming van de grondwet, waarin wordt vermeld dat het gedrag van verzoeker een reële, directe en ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid. Voorgaande verwijst specifiek naar het feit dat verzoeker is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor het verlenen van hulp bij onrechtmatige grensoverschrijding. De Hongaarse rechter heeft het besluit vernietigd, omdat de verweerder haar besluit niet had mogen baseren op het advies van de Hongaarse dienst voor de bescherming van de grondwet. Deze dienst had in de zaak immers niet als adviserende overheidsinstantie optreden. Na terugwijzing door de rechter heeft verweerder de verblijfskaart van verzoeker ingetrokken. Ingevolge een wetswijziging van 1-1-2019 stelt verweerder geen discretionaire bevoegdheid te hebben om af te wijken van de adviezen van de adviserende overheidsinstanties. De rechter voor de agglomeratie heeft het beroep van verzoeker tegen dat besluit afgewezen. Deze beslissing is bevestigd door de hoogste rechterlijke instantie van Hongarije, die tevens benadrukt dat de vreemdelingenautoriteit geen discretionaire ruimte heeft nu er sprake is van redenen van nationale veiligheid. Verzoeker heeft Hongarije op 24-9-2020 verlaten. Verweerder heeft hem een drie jaar geldend inreis- en verblijfsverbod opgelegd.

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of de inhoud en de wijze van toepassing van de wetswijziging met betrekking tot langdurig in Hongarije verblijvende, uit derde landen afkomstige familieleden van Hongaarse burgers strookt met, onder andere, het in artikel 20 VWEU gewaarborgde recht van vrij verkeer en verblijf. De verwijzende rechter is van oordeel dat de toepassing van de wetswijziging op procedures die worden herhaald, strijdig is met het Unierecht. Echter heeft hij in de onderhavige zaak geen mogelijkheid om het nationale recht buiten toepassing te laten. De verwijzende rechter wenst antwoord te verkrijgen op de vraag of in het onderhavige geval rekening gehouden kan worden met de gezins- en persoonlijke omstandigheden van de betrokkene door verzoeker zich rechtstreeks te laten baseren op artikel 5 van richtlijn 2008/115.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten de artikelen 5 en 11 van richtlijn 2008/115/EG en artikel 20 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 7, [21], 24 en 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de praktijk van een lidstaat die een wetswijziging ook van toepassing verklaart op procedures die op rechterlijk bevel opnieuw moeten worden doorlopen in eerder gestarte procedures, wanneer die wetswijziging tot gevolg heeft dat een uit een derde land afkomstig familielid van een burger van de Unie aan een veel ongunstiger procedurele regeling wordt onderworpen, zozeer dat hij zijn op basis van zijn verblijfsduur verworven status, die inhoudt dat hij zelfs om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of nationale veiligheid niet kan worden verwijderd, verliest, waarna zijn aanvraag voor een permanente verblijfskaart op grond van dezelfde feiten en om redenen van nationale veiligheid wordt afgewezen, zijn verblijfskaart wordt ingetrokken en aan hem vervolgens een inreis- en verblijfsverbod wordt opgelegd, zonder dat in deze procedures rekening wordt gehouden met zijn persoonlijke en gezinsomstandigheden, in het bijzonder met het feit dat hij een hem ten laste komend minderjarig kind met de Hongaarse nationaliteit heeft, welke beslissingen tot gevolg hebben dat ofwel de eenheid van het gezin wordt verbroken, ofwel de familieleden van de betrokken onderdaan van een derde land die zelf burger van de Unie zijn, onder wie zijn minderjarige kind, genoodzaakt zijn het grondgebied van de lidstaat te verlaten?

2) Moeten de artikelen 5 en 11 van richtlijn 2008/115 en artikel 20 VWEU, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 24 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de praktijk van een lidstaat waarbij vóór de oplegging van een inreis- en verblijfsverbod aan een uit een derde land afkomstig familielid van een burger van de Unie geen onderzoek plaatsvindt naar zijn persoonlijke en gezinsomstandigheden op de grond dat zijn verblijf een reële, directe en ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid?

Indien de eerste of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

3) Moeten artikel 20 VWEU, de artikelen 5 en 13 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen [21] en 47 van het Handvest, alsmede overweging 22 van richtlijn 2008/115, volgens welke de lidstaten het belang van het kind vooropstellen, en overweging 24 van die richtlijn, waarin de verplichting

is opgenomen om de in het Handvest erkende grondrechten en beginselen in acht te nemen, aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter die op basis van een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie vaststelt dat het nationale recht en de daarop gebaseerde praktijk van de vreemdelingenautoriteit in strijd zijn met het Unierecht, bij het onderzoek naar de rechtsgrondslag van de oplegging van een inreis- en verblijfsverbod rekening kan houden met het door de verzoeker verworven recht, erin bestaande dat hij tijdens de geldigheidsduur van wet I van 2007 betreffende de binnenkomst en het verblijf van personen die het recht op vrij verkeer en verblijf genieten [...] heeft voldaan aan de voorwaarde voor de toepassing van § 42 van die wet, te weten meer dan tien jaar legaal in Hongarije verblijven, of moet deze rechter de in het kader van de toetsing van de gegrondheid van de oplegging van het inreis- en verblijfsverbod te verrichten afweging van de persoonlijke en gezinsomstandigheden, bij gebreke van een regeling op dit punt in wet II van 2007 betreffende de binnenkomst en het verblijf van onderdanen van derde landen [...], rechtsreeks op artikel 5 van richtlijn 2008/115 baseren?

4) Is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, en meer in het bijzonder met het in artikel 13 van richtlijn 2008/115 gewaarborgde recht op een doeltreffend rechtsmiddel alsook met het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een onpartijdig gerecht, wanneer die praktijk inhoudt dat de vreemdelingenautoriteit, in een door een uit een derde land afkomstig familielid van een burger van de Unie ingestelde beroepsprocedure, de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke rechterlijke beslissing die voorziet in onmiddellijke rechtsbescherming tegen de tenuitvoerlegging van haar besluit weigert op de grond dat zij de signalering betreffende het inreis- en verblijfsverbod reeds heeft geplaatst in het Schengeninformatiesysteem (SIS II), met als gevolg dat het uit een derde land afkomstige familielid van de burger van de Unie niet in staat is om zijn recht op beroep persoonlijk uit te oefenen en vóór de onherroepelijke beslissing in zijn zaak Hongarije binnen te komen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-112/20 M.A. tegen Belgische Staat; C-82/16 K.A. e.a.

Specifiek beleidsterrein: JenV