C-534/20

Contentverzamelaar

C-534/20

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     15 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     1 februari 2021

Trefwoorden : AVG; gegevensbescherming; arbeidsrecht

Onderwerp :

Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVGB);

Feiten:

Tussen partijen is nog in geschil of de tussen hen bestaande arbeidsverhouding rechtsgeldig kon worden beëindigd door middel van een gewone opzegging. Verzoekster was sinds 15-01-2018 werkzaam als teamleider juridische zaken bij verweerster. Verweerster heeft verzoekster met ingang van 01-02-2018 tevens aangewezen als bedrijfsfunctionaris voor gegevensbescherming. Bij brief van 13-07-2018 heeft verweerster de arbeidsverhouding met ingang van 15-08-2018 beëindigd via een gewone opzegging. Hierbij verwees verweerder naar een herstructureringsmaatregel als gevolg waarvan verzoekster overtollig was geworden. Verzoekster is in beroep opgekomen tegen de vermeende ongeldigheid van de opzegging. De lagere rechters hebben het beroep toegewezen en oordeelden dat de gewone opzegging ongeldig omdat verzoekster als functionaris voor gegevensbescherming volgens §38(2) jo §6(4) BDSG (federale wet inzake gegevensbescherming) alleen maar voor buitengewoon ontslag om gewichtige redenen in aanmerking kwam. Verweerster heeft hiertegen beroep in Revision ingesteld.

Overweging:

De toepasselijkheid van §38(2) jo §6(4) BDSG hangt volgens de verwijzende rechter af van de vraag of het Unierecht, en met name artikel 38(3), tweede volzin AVGB een regeling van een lidstaat toestaat waarin de opzegging van de arbeidsverhouding van een functionaris voor gegevensbescherming aan strengere voorwaarden is gekoppeld dan in het Unierecht. De verwijzende rechter kan daarover geen uitspraak doen zonder de zaak voor te leggen aan het Hof. Mocht het bepaalde in de BDSG echter buiten toepassing moeten blijven wegens de voorrang van het Unierecht, dan moet het beroep in Revision van verweerster worden toegewezen. Dan zou de opzegging niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 38, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) 2016/679 (algemene verordening gegevensbescherming; hierna: „AVGB”) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht als § 38, leden 1 en 2, juncto § 6, lid 4, tweede volzin, van het Bundesdatenschutzgesetz (BDSG),op grond waarvan het niet is toegestaan dat de arbeidsverhouding van de functionaris voor gegevensbescherming door de verwerkingsverantwoordelijke, die zijn werkgever is, wordt beëindigd via een gewone opzegging, ongeacht of deze opzegging al dan niet verband houdt met de uitvoering van zijn taken? Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2. Verzet artikel 38, lid 3, tweede volzin, AVGB zich ook tegen een dergelijke bepaling van nationaal recht wanneer de aanwijzing van de functionaris voor gegevensbescherming niet krachtens artikel 37, lid 1, AVGB verplicht is, maar uitsluitend krachtens het recht van de lidstaat? Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

3. Berust artikel 38, lid 3, tweede volzin, AVGB op een toereikende rechtsgrondslag, met name voor zover het betrekking heeft op functionarissen voor gegevensbescherming die een arbeidsverhouding met de verwerkingsverantwoordelijke hebben?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; SZW