C-537/20 L Fund   

Contentverzamelaar

C-537/20 L Fund   

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     14 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     30 januari 2021

Trefwoorden : ongelijke behandeling; vrij verkeer kapitaal; beleggingen;

Onderwerp : Artikel 63 VWEU;

Feiten:

Verzoeker is een instelling voor collectieve beleggingen - als gespecialiseerd beleggingsfonds – en staat onder beleggingstoezicht van de commissie voor toezicht op de financiële sector (hierna: CSSF) in Luxemburg. De zetel noch het centrum van het bestuur van verzoeker is in Duitsland gevestigd. Verzoeker heeft twee institutionele beleggers die hun zetel noch hun bestuur in Duitsland hebben. Het fonds wordt beheerd door een beheervennootschap. De beheervennootschap heeft op eigen naam maar voor rekening van verzoeker een vastgoedportefeuille verworven (1.241 vastgoedobjecten in Duitsland). In de periode 2008-2010 heeft verzoeker inkomsten gegenereerd uit de verhuur en verkoop van afzonderlijke vastgoedobjecten. In juli 2013 heeft verzoeker aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan over de periode 2008-2010 op basis van een beperkte vennootschapsbelastingplicht. Hij wees er daarbij echter op dat hij naar zijn mening juridisch gezien niet onderworpen was aan de Duitse vennootschapsbelasting. Verweerder ging echter uit van een beperkte vennootschapsbelastingplicht en legde een aanslag voor de vennootschapsbelasting op. Daarop werd beroep ingesteld bij het Finanzgericht Münster, dat de rechtsopvatting van verweerder bevestigde en het beroep bij uitspraak van 20 april 2017 verwierp. Verzoeker heeft vervolgens beroep in Revision ingesteld bij het Bundesfinanzhof.

Overweging:

Het nationale belastingrecht maakt in het kader van de belastingheffing onderscheid tussen buitenlandse en binnenlandse fondsen en tussen openbare fondsen en gespecialiseerde fondsen. De wetgever heeft het transparantiebeginsel toegepast om te beletten dat (grote) buitenlandse beleggers in de vastgoedsector ongerechtvaardigde belastingvoordelen genieten. Een dergelijke belegger zou immers beperkt belastingplichtig zijn geweest, indien hij rechtstreeks in binnenlands vastgoed had belegd. Deze belastingplicht zou hij zonder al te veel moeite hebben kunnen omzeilen door via een gespecialiseerd vastgoedfonds te beleggen. Daarom is een buitenlands gespecialiseerd vastgoedfonds niet vrijgesteld van Vennootschapsbelasting. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of de uitsluiting van verzoeker van de belastingvrijstelling wel verenigbaar is met het Unierecht, in het bijzonder met het vrije verkeer van kapitaal (artikel 63 VWEU).

Prejudiciële vraag:

Staat artikel 56 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (thans artikel 63 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) in de weg aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan binnenlandse gespecialiseerde vastgoedfondsen met uitsluitend buitenlandse beleggers zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting, terwijl voor buitenlandse gespecialiseerde vastgoedfondsen met uitsluitend buitenlandse beleggers een beperkte belastingplicht voor de vennootschapsbelasting geldt met betrekking tot de door hen in het binnenland gegenereerde inkomsten uit verhuur?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Santander Asset Management SGIIC e.a. C-338/11 – C-347/11; Emerging Markets Series of DFA Investment Trust Company C-190/12; Fidelity Funds e.a. C-480/16;

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK; FIN-fiscaal