C-544/21 Stadt Mainz

Contentverzamelaar

Terug C-544/21 Stadt Mainz

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    15 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    1 januari 2022

Trefwoorden: dienstenrichtlijn, vast minimumtarief, rechtstreekse werking, vrijheid van vestiging

Onderwerp :

-           Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (dienstenrichtlijn).

-           Artikel 49 VWEU

Feiten:

Verzoekster is een architectenbureau dat voor verweerster (Stadt Mainz) architectendiensten heeft verricht. Honoraria voor architectendiensten worden berekend op basis van nationale wetgeving, die ook minimumbetalingen voorschrijft. Verzoekster heeft in een tussentijdse factuur honorarium gefactureerd, dat berekend is volgens de parameters die door nationale wetgeving zijn voorgeschreven. De berekende hoogte van het honorarium ligt lager dan de minimale hoogte van een honorarium dat door nationale wetgeving verschuldigd is. Het resterende bedrag is door verzoekster later in rechte alsnog gevorderd, omdat van de minimale hoogte van het honorarium conform nationale wetgeving alleen mag worden afgeweken in geval van een uitzondering, waarvan in deze zaak geen sprake is.

Overweging:

In geschil is of de nationale bepaling die de minimale hoogte van het honorarium vastlegt verenigbaar is met de artikel 15, lid 1 en lid 2, onder g) en lid 3, van de dienstenrichtlijn. De Duitse rechter in hoogste aanleg heeft reeds bepaald dat het niet toepassen van de bepaling in kwestie in strijd zou zijn met Duits recht. De bepaling laat geen ruimte voor een alternatieve uitleg. Naar aanleiding van eerdere zaken voor het Hof heeft de nationale wetgever de bepaling in een nieuwe versie (die nog niet van kracht was toen het onderhavige geschil zich voordeed) beperkt tot interne situaties.

Daarnaast is onduidelijk of het mogelijk is dat een particulier zich rechtstreeks beroept op artikel 15 van de richtlijn in een geschil met een andere particulier. Indien dat niet zo is, resteert de vraag of uit artikel 49 VWEU volgt dat de nationale bepaling voor minimumtarieven in strijd is met de vrijheid van vestiging en of in dat geval nationale wetgeving buiten toepassing moet worden gelaten in een geschil tussen twee particulieren.

Prejudiciële vragen:

a) Volgt uit het Unierecht, met name uit artikel 4, derde alinea, VEU[1] en uit artikel 288, derde alinea, en artikel 260, lid 1, VWEU, dat artikel 15, lid 1, lid 2, onder g), en lid 3, van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (hierna: „dienstenrichtlijn”) in het kader van een lopende gerechtelijke procedure tussen particulieren rechtstreekse werking heeft die van dien aard is dat de met deze richtlijn strijdige nationale bepalingen van § 4 van de Duitse Verordnung über die Honorare für Architekten- und Ingenieurleistungen van 1996 in de versie van 2002 (besluit inzake de honoraria voor architecten en ingenieurs; hierna: „HOAI 2002”) – volgens welke de in deze honorariumregeling vastgelegde minimumtarieven voor plannings- en toezichtdiensten van architecten en ingenieurs, behalve in bepaalde uitzonderingsgevallen, bindend zijn en een honorariumbeding in overeenkomsten met architecten of ingenieurs, waarbij de minimumbedragen worden verlaagd, ongeldig is –, buiten toepassing moeten worden gelaten zelfs wanneer het vorderingen uit een architectenovereenkomst betreft die in 2004, dus voor de vaststelling van de dienstenrichtlijn, is gesloten?

b) Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:

aa) Moet artikel 49 VWEU (oud artikel 43 VEG) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht zoals § 4 HOAI 2002 volgens welke de in deze honorariumregeling vastgelegde minimumtarieven voor plannings- en toezichtdiensten van architecten en ingenieurs, behalve in bepaalde uitzonderingsgevallen, bindend zijn en een honorariumbeding in overeenkomsten met architecten of ingenieurs, waarbij de minimumbedragen worden verlaagd, ongeldig is, of dat een dergelijke bepaling van nationaal recht schending van artikel 49 VWEU (oud artikel 43 VEG) oplevert?

bb) Indien de bovenstaande vraag bevestigend wordt beantwoord: Heeft een dergelijke schending tot gevolg dat nationale regelingen inzake bindende minimumtarieven (in casu § 4 HOAI 2002) buiten toepassing moeten worden gelaten in een lopende gerechtelijke procedure tussen particulieren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-486/18 Praxair MRC; C-122/17; C-377/17 Commissie/Duitsland; C-360/15 en C-31/16 ; 152/84; 8/81; 41/74; C-193/17 Investigation; C-122/17; C-397/01 en C-403/01 ; C-91/92; C-351/12 OSA; C-441/14 Dansk Industri; C-555/07; C-336/14; C-409/06; C-438/05 International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union;

Specifiek beleidsterrein: EZK, OCW