C-546-25 Beteiligungsgesellschaft
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 18 november 2025 Schriftelijke opmerkingen: 4 januari 2026
Trefwoorden: dividenden, dubbele belastingheffing, verrekening, verliesrekening, discriminatie
Onderwerp: Richtlijn 90/435/EEG van de Raad betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten: artikel 4, lid 1.
Verzoekster is een Duitse moedervennootschap die tussen 1993 en 2000 dividenden ontving van haar Griekse dochteronderneming, die waren belast met Griekse vennootschapsbelasting. In die periode was het belastbaar inkomen van verzoeker negatief, waardoor de dividenden door de belastingdienst werden verrekend met haar verliesrekening. De daarover betaalde vennootschapsbelasting werd echter niet mee verrekend. Verzoekster stelt dat zij op grond van richtlijn 90/435 en art. 49 VWEU recht heeft op de ‘gehele’ verrekening omdat deze situatie leidt tot een dubbele belastingheffing, en tot discriminatie omdat er bij binnenlandse dividenden wel rekening wordt gehouden met de betaalde vennootschapsbelasting.
Prejudiciële vragen: 1) Staat artikel 4, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 90/435/EEG in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan uitkeringen van een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde dochteronderneming bij een verlieslijdende ingezeten moedermaatschappij tot een vermindering van haar voorwaartse verliesverrekening ten belope van die uitkeringen leiden, maar de belasting die door de dochteronderneming over de uitkeringen is betaald, noch in het jaar waarin de dividenden zijn ontvangen, noch in het jaar waarin de winst van de moedermaatschappij hoger was dan de overgedragen verliezen, wordt verrekend?
2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: vloeit uit de richtlijn een rechtstreeks recht op verrekening van de belasting in de vorm van een uitstel van verrekening voort, indien een lidstaat voor de omzetting van richtlijn 90/435/EEG in nationaal recht heeft gekozen voor het in artikel 4, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 90/435/EEG voorziene verrekeningsstelsel en die lidstaat de verrekening niet overeenkomstig de richtlijn heeft geregeld, omdat de verrekening van de belasting uitsluitend in het jaar plaatsvindt waarin de dividenden zijn ontvangen, hoewel die dividenden door de lidstaat op grond van de in het nationale recht voorziene mogelijkheden voor een voorwaartse verliesverrekening ook in latere belastingtijdvakken kunnen worden belast?
3) Indien uit richtlijn 90/435/EEG geen rechtstreeks recht op een uitstel van verrekening voortvloeit (eerste en tweede vraag): kan een dergelijk recht als gevolg van een schending van de vrijheid van vestiging bestaan (artikel 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Maastricht, of artikel 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, thans artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Lissabon)?
4) Moeten de eerste tot en met derde vraag anders worden beoordeeld voor de dividenden die de moedermaatschappij niet rechtstreeks zelf heeft ontvangen, maar die haar volledige dochteronderneming, die eveneens uitsluitend verliezen heeft geleden, had ontvangen (in casu: de jaren 1993 tot en met 1996), voordat deze met de moedermaatschappij is gefuseerd, waarbij ook de voorwaartse verliesverrekening is overgedragen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-295/21 Allianz Benelux; C-572/20 ACC Silicones; C-389/18 Brussels Securities; C-47/12 Kronos International.
Specifiek beleidsterrein: Fin-fiscaal