C-553/25 en C-558/25 Volkswagen e.a.  

Contentverzamelaar

C-553/25 en C-558/25 Volkswagen e.a.  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 november 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     27 december 2025

Trefwoorden: emissiecontrolesystemen, manipulatie-instrument, bewijslast

Onderwerp: Verordening 715/2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen [..]: artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10; Verordening 692/2008 tot uitvoering van verordening 715/2007: artikel 3.

Verzoeker heeft in 2019 een auto gekocht van het merk Volkswagen. Hij stelt dat het voertuig is uitgerust met ongeoorloofde manipulatie-instrumenten in de zin van artikel 5, lid 5, eerste volzin, verordening 715/2007. Volgens verzoeker gebruikt verweerder Volkswagen ‘een bundel aan functies’ om de reiniging van de uitlaatgassen in de New European Driving Cycle te maximaliseren, waardoor het voldoet aan de NOx-grenswaarden, maar worden de grenswaarden bij normaal gebruik op de weg en onder normale rijomstandigheden vele malen overschreden. De Oostenrijkse rechter heeft twijfels over hoe hij kan vaststellen dat er inderdaad sprake is van een illegaal manipulatie-systeem, en stelt het Hof vragen over de kwalificatie en de bewijslast.

Prejudiciële vragen (de vragen zijn identiek voor C-553/25 en C-558/25): 

1.a. Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 en artikel 3 van verordening nr. 692/2008/EG aldus te worden uitgelegd dat bij een onder verordening (EG) nr. 715/2007 vallend voertuig met een dieselmotor dat is uitgerust met systemen voor uitlaatgasrecirculatie (EGR-systeem) en uitlaatgasnabehandeling (SCR-systeem), voor de kwalificatie ervan als manipulatie-instrument in de zin van artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 moet worden uitgegaan van de vraag of de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem als geheel (met inbegrip van alle aanwezige systemen voor uitlaatgasrecirculatie en -nabehandeling) wordt verminderd dan wel van de vraag of de doelmatigheid van afzonderlijke constructieonderdelen (bijvoorbeeld ,thermovenster’ of de SCR-katalysator) als op zich staande emissiecontrolesystemen wordt verminderd? 

b. Dienen artikel 3, punt 10, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat voor de kwalificatie als ongeoorloofd manipulatie-instrument uitsluitend doorslaggevend is dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem – ongeacht of het gaat om een afzonderlijk constructieonderdeel of om het systeem als geheel [zie eerste prejudiciële vraag, onder a)] – onder normale gebruiksomstandigheden wordt verminderd of is daarnaast vereist dat (ten minste) één van de in bijlage I van verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden wordt overschreden? 

2. Voor het geval dat in de zin van de in het kader van de eerste prejudiciële vraag aan de orde gestelde vragen moet worden uitgegaan van het emissiecontrolesysteem in zijn geheel: 

2.a. Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 met betrekking tot de bewijslast aldus te worden uitgelegd dat de koper van een dieselvoertuig voldoet aan zijn stelplicht inzake het bestaan van een ongeoorloofd manipulatie-instrument indien hij aanvoert dat het voertuig is uitgerust met een constructieonderdeel (bijvoorbeeld een ,thermovenster’) dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem onder normale rijomstandigheden vermindert en dient de voertuigfabrikant in dat geval aan te tonen dat het systeem in zijn geheel geen vermindering van de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem tot gevolg heeft, of moet de koper ook aantonen dat het voertuig niet is uitgerust met andere constructieonderdelen die het nadelige effect compenseren? 

2.b. Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 met betrekking tot de bewijslast aldus te worden uitgelegd dat een nationale regeling uit hoofde waarvan de bewijslast voor het bestaan van een manipulatie-instrument op de klagende koper rust en deze derhalve niet alleen moet aantonen dat het voertuig is uitgerust met een constructieonderdeel dat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem onder normale rijomstandigheden vermindert, maar ook dat het voertuig niet is uitgerust met andere constructieonderdelen die dat nadelige effect compenseren, de verwerende voertuigfabrikant echter verplicht is mee te werken aan de vaststelling van de feiten – met dien verstande dat niet-medewerking enkel tot gevolg heeft dat de rechter dit feit bij zijn vrije bewijsbeoordeling in aanmerking neemt – in strijd is met het Unierecht, zodat vanuit het oogpunt van het Unierecht de bewijslast betreffende de vaststelling van het emissiecontrolesysteem in zijn geheel bij de verwerende voertuigfabrikant zou moeten liggen? 

2.c. Dienen artikel 5, lid 2, juncto artikel 3, punt 10, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat de stelplicht en de bewijslast betreffende het concrete temperatuurbereik waarbinnen een in de voertuigmotor ingebouwd manipulatie-instrument in de vorm van een thermovenster niet actief is, op de voertuigfabrikant rusten? 

3.a. Dienen artikel 3, punt 10, artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 juncto artikel 3 van verordening nr. 692/2008/EG aldus te worden uitgelegd dat de constructieonderdelen van een dieselvoertuig die van invloed kunnen zijn op de emissies zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd dat de naleving van de in bijlage I bij verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde emissiegrenswaarden niet alleen is gewaarborgd bij de voorgeschreven tests in het kader van de in elk afzonderlijk geval toepasselijke typegoedkeuringsprocedure (in casu: nieuwe Europese rijcyclustest, NEDC), maar ook onder daadwerkelijke rijomstandigheden bij normaal gebruik van het voertuig (reële rijomstandigheden)? 

3.b. Mocht de derde prejudiciële vraag, onder a), bevestigend worden beantwoord: Dient artikel 5, lid 2, junctis artikel 5, lid 1, en artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 715/2007 aldus te worden uitgelegd dat niet de klagende koper, maar de verwerende voertuigfabrikant de bewijslast draagt voor de naleving van de emissiegrenswaarden onder reële rijomstandigheden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-873/19 Deutsche Umwelthilfe (Typegoedkeuring van motorvoertuigen); C-145/20 Porsche Inter Auto en Volkswagen; C-776/19–C-782/19 BNP Paribas Personal Finance; C-100/21 Mercedes-Benz Group (Aansprakelijkheid van fabrikanten van met een manipulatie-instrument uitgeruste voertuigen; C-128/20 GSMB Invest.

Specifiek beleidsterrein: IenW; EZ