C-562/23 T – 2

Contentverzamelaar

C-562/23 T – 2

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 november 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    31 december 2023

Trefwoorden: toewijzing van radiofrequenties, Telecomcode, directe werking

Onderwerp:

•            Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (machtigingsrichtlijn), met name artikel 5;

•            Richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten (richtlijn tot wijziging van de machtigingsrichtlijn), met name artikel 3;

•            Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (Telecomcode), met artikel 49, artikel 50, lid 1, en artikel 124. 

Feiten:

De verzoekende partij, vennootschap T – 2 d.o.o. was houdster van een individueel recht van gebruik van bepaalde radiofrequenties. Deze waren haar toegewezen bij een besluit betreffende het aanbieden van openbare communicatiediensten voor eindgebruikers (hierna: „besluit tot toewijzing van radiofrequenties”). Verzoekende partij heeft verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van het besluit tot toewijzing van radiofrequenties en beroept zich op artikel 49 van de Telecomcode. Verwerende partij, het agentschap voor communicatienetwerken en -diensten van de Republiek Slovenië, heeft het verzoek om verlenging afgewezen. Verzoekende partij heeft beroep ingesteld en vordert nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de verlenging van de geldigheidsduur van het besluit tot toewijzing van radiofrequenties.

Overweging:

Verzoekende partij stelt dat de verwerende partij voor besluiten tot toewijzing van radiofrequenties op grond van artikel 49, lid 2, van de Telecomcode had moeten toestaan dat deze vóór het verstrijken van die termijn met nog eens vijf jaar werden verlengd, aangezien de in ZEKom-1 vervatte regeling kennelijk in strijd is met de Telecomcode. Verwerende partij stelt dat dit artikel de lidstaten een discretionaire bevoegdheid laat, aangezien daarin niet de verplichting wordt opgelegd om een automatische verlenging toe te staan. Op het moment waarop de geldigheid van het besluit betreffende het aanbieden van openbare communicatiediensten afliep, had de Republiek Slovenië de Telecomcode nog niet omgezet in het nationale rechtsstelsel, terwijl deze omzetting al had moeten plaatsvinden. Daarom hangt de beslissing in deze zaak volledig af van de vraag of artikel 49, leden 1 en 2, van de Telecomcode directe werking heeft.

Voor de beslissing in deze zaak is doorslaggevend hoe het begrip „voorspelbaarheid van de regelgeving voor de houders van rechten” moet worden uitgelegd. Volgens de verwijzende rechter is het niet duidelijk of het de lidstaten vrijstaat te bepalen onder welke voorwaarden zij de voorspelbaarheid van het gebruiksrecht gedurende 20 jaar zullen waarborgen, dat wil zeggen onder welke voorwaarden zij, indien zij beslissen dat dit recht 15 jaar geldig is, een verlenging van dat recht met nog eens 5 jaar zullen waarborgen. Bovendien vraagt deze rechter zich af of de Telecomcode zo nauwkeurig is dat hij zijn beslissing op deze richtlijn kan baseren. De vraag is dus of deze richtlijn de lidstaten toestaat te beslissen welke voorwaarden zij bij de verlenging van het recht in aanmerking zullen nemen. Anderzijds vraagt deze rechter zich af of de richtlijn zelf al algemene voorwaarden vaststelt die bij de verlenging in acht moeten worden genomen en wat  de verhouding is tussen verschillende criteria.

Prejudiciële vragen:

1) Zijn de leden 1 en 2 van artikel 49 van de Telecomcode [richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie] duidelijk, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig om particulieren in staat te stellen zich daarop te beroepen in procedures voor nationale administratieve en rechterlijke instanties?

2) Moeten de leden 1 en 2 van artikel 49 van de Telecomcode ook worden toegepast op de verlenging van individuele rechten van gebruik van het radiofrequentiespectrum die vóór de inwerkingtreding van de Telecomcode zijn verleend, en welke algemene criteria gelden in dat geval om te bepalen of een individueel recht moet worden verlengd?

3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 5, lid 2, van de machtigingsrichtlijn [richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten] of artikel 5, lid 2, vierde alinea, van de richtlijn tot wijziging van de machtigingsrichtlijn [richtlijn 2009/140/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten, richtlijn 2002/19/EG inzake de toegang tot en interconnectie van elektronischecommunicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, en richtlijn 2002/20/EG betreffende de machtiging voor elektronischecommunicatienetwerken en -diensten] dan worden toegepast om te beoordelen wat een passende duur is voor de individuele rechten van gebruik van het radiofrequentiespectrum die zijn verleend onder vigeur van de machtigingsrichtlijn, in verband met de mogelijkheid van de verlenging van die rechten, en zijn deze bepalingen voldoende duidelijk, onvoorwaardelijk en nauwkeurig om op basis daarvan te kunnen beoordelen of de duur van een individueel recht van gebruik van het radiofrequentiespectrum passend is?

4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, aan de hand van welke criteria moet dan worden beoordeeld of de duur van een individueel recht van gebruik van het radiofrequentiespectrum passend is of moet worden verlengd?

5) Indien de eerste, de tweede of de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, moet er bij het besluit inzake verlenging dan rekening mee worden gehouden dat de nationale bepalingen die van kracht waren toen het gebruiksrecht verstreek, de mogelijkheid van verlenging na een geldigheidsduur van 15 jaar uitdrukkelijk uitsloten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-205/20, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Effet direct).

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten