C-567/13 Baczó et Vizsnyiczai

Contentverzamelaar

Terug C-567/13 Baczó et Vizsnyiczai

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   7 januari 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   24 januari 2014
Schriftelijke opmerkingen:                   24 februari 2014
Trefwoorden: consumentenbescherming; bevoegde rechter; proceskosten
Onderwerp: Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke
bedingen in consumentenovereenkomsten (Pb L 95, blz. 29)

Verzoekers kopen in 2007 een woning en sluiten daarvoor een kredietovereenkomst bij de Raiffeisenbank. Onderhavige zaak gaat over het verzoek tot nietigverklaring van met name het arbitragebeding in hun overeenkomst dat zij indienen op grond van een advies van het HON hooggerechtshof van 12 december 2011 (“De in het kader van het verweer ten gronde aangevoerde exceptie van ongeldigheid van de overeenkomst op grond van het oneerlijke karakter van de algemene contractvoorwaarden, kan door de lokale rechtbank ten gronde worden onderzocht. Dat de contractanten contractuele boeten bedingen voor het geval de niet-nakoming van de overeenkomst toe te rekenen is aan de beroepsbeoefenaar, kan niet worden geacht in strijd te zijn met het beginsel van goede trouw.”)
De geadieerde lokale rechter (kantongerecht) verklaart zich echter onbevoegd en verwijst verzoekers naar de bevoegde rechter op grond van het HON Wb Rv. Verzoekers gaan daar niet mee akkoord en gaan in hoger beroep. Zij stellen dat zij geen beroep hebben gedaan op het oneerlijke karakter van de overeenkomst (in dat geval is de HON wettelijke regeling dat beslechting is voorbehouden aan de algemene rechtbank) en dat de kantonrechter dus bevoegd is. Het gaat verzoekers om de hogere kosten die zijn verbonden aan procederen voor de algemene rechtbank.

De verwijzende HON rechter vraagt zich af of het terecht is dat de procederende consument met hogere kosten wordt geconfronteerd, en stelt de volgende vragen aan het HvJEU:
1. Berokkent de gerechtelijke procedure de consument nadeel wanneer een andere rechtbank, de algemene rechtbank (törvényszék), tot kennisneming bevoegd wordt, indien hij in een geding tot nietigverklaring van een overeenkomst (algemene contractvoorwaarden) voor de lokale rechtbank ook verzoekt om vast te stellen dat een beding van de in geding zijnde overeenkomst oneerlijk is? De consument kan zich in het door zijn medecontractant ingestelde geding voor de lokale rechtbank immers beroepen op oneerlijkheid van een contractueel beding, maar moet door de verwijzing naar de algemene rechtbank hogere kosten dragen.
2. Wordt het evenwicht hersteld wanneer de consument zich ook in de door hem bij de lokale rechtbank ingestelde procedure tot nietigverklaring van de overeenkomst op oneerlijkheid van bepaalde bedingen van deze overeenkomst kan beroepen, zonder dat deze lokale rechtbank hierdoor onbevoegd wordt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-137/08 VB Pénzügyi Lízing; C-243/08 Pannon GSM; C-472/11 Banif Plus Bank
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten