C-571/21 RWE Power

Contentverzamelaar

C-571/21 RWE Power

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    1 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    18 december 2021

Trefwoorden : vrijstelling van elektriciteitsbelasting, reikwijdte van richtlijn 2003/96

Onderwerp :

-           Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit

Feiten:

Verzoekster exploiteerde onder meer drie ruimtelijk gescheiden dagbouwmijnen, waarin zij bruinkool won die hoofdzakelijk diende voor de opwekking van elektriciteit in haar elektriciteitscentrales. Op last van verweerder is op 16-12-2004 begonnen met een externe controle van onder meer de elektriciteitsbelasting van verzoekster over de jaren 2003 en 2004. Verzoekster was tijdens deze controle van mening dat de onttrekkingen van elektriciteit met het oog op de omzetting van bruinkool in elektriciteit, ongeveer 90% van de gebruikt elektriciteit als dienstbaar aan de productie van elektriciteit van belasting waren vrijgesteld. De controleambtenaren waren echter van mening dat de verwerking van de bruinkool de productie van een brandstof was, zodat er wel belasting geïnd diende te worden. Verweerder heeft de bevindingen van de externe controle gevolgd en verzoekster verzocht om betaling van de elektriciteitsbelasting. Bij de beslissing op bezwaar van 26-10-2018 heeft verweerder het door verzoekster ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is verzoekster in beroep gegaan.

Overweging:

Uit de Duitse taalversie van artikel 14, lid 1, onder a), tweede zin, van richtlijn 2003/96 blijkt niet duidelijk dat de van belasting vrij te stellen elektriciteit moet worden gebruikt met het oog op elektriciteitsproductie die anders belastbaar zou zijn. Dit kan echter wel worden aangenomen op basis van andere taalversies. Volgens de verwijzende rechter blijkt bovendien uit de bewoordingen van voornoemde bepaling dat de vrijstelling niet beperkt is tot het proces van energieconversie, maar ook eerdere en latere activiteiten omvat. Verder is het de verwijzende rechter niet duidelijk of de gunstregeling voor elektriciteit die wordt gebruik voor het vervoer, niet op grond van artikel 21, lid 3, derde zin, van richtlijn 2003/96 is uitgesloten. Omvat de bepalingen ook elk vervoer van energieproducten, en dus tevens het vervoer van bruinkool tussen de installaties waar de opslag en de verwerking ervan plaatsvinden of heeft zij alleen betrekking op andere gebruiksvormen van elektriciteit?

Prejudiciële vragen:

1. Kan artikel 14, lid 1, onder a), eerste zin, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (richtlijn 2003/96), voor zover het bepaalt dat elektriciteit die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit is vrijgesteld van belasting, gelet op artikel 21, lid 3, tweede volzin, van richtlijn 2003/96 aldus worden uitgelegd dat deze vrijstelling ook geldt voor handelingen waarbij energieproducten in dagbouwmijnen worden gewonnen en in elektriciteitscentrales geschikt worden gemaakt voor gebruik in elektriciteitscentrales, zoals het breken, verwijderen van vreemde bestanddelen en vergruizen tot de voor de werking van de ketel vereiste grootte?

2. Kan artikel 14, lid 1, onder a), eerste zin, van richtlijn 2003/96, voor zover het bepaalt dat elektriciteit die wordt gebruikt voor het in stand houden van het vermogen om elektriciteit te produceren is vrijgesteld van belasting, gelet op artikel 21, lid 3, derde volzin, van richtlijn 2003/96 aldus worden uitgelegd dat hiermee ook het gebruik van elektriciteit voor de werking van kolenbunkerinstallaties en vervoermiddelen die noodzakelijk zijn voor de permanente exploitatie van elektriciteitscentrales is vrijgesteld van belasting?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-90/17; C-31/17

Specifiek beleidsterrein: Fin