C-575/20 Apollo Tyres

Contentverzamelaar

C-575/20 Apollo Tyres

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     21 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     7 februari 2021

Trefwoorden : broeikasgasemissierechten; handel emissierechten; installaties; EU-ETS

Onderwerp :

-           Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad;

-           Richtsnoeren van de Europese Commissie voor de uitlegging van bijlage I bij richtlijn 2003/87.

Feiten:

Verzoekster is in 2017 begonnen met de productie van banden. Bij de uitvoering van haar activiteiten maakt zij gebruik van 3 stoomketels. Het maximale verbrandingsvermogen van de ketels is aangepast op de respectievelijke waarden 8.991 kW, 8.791 kW en 8.962 kW. Om te realiseren dat verzoekster te allen tijde onder 20 MWth thermisch ingangsvermogen blijft, wordt één van de ketels altijd uitgeschakeld, waardoor het maximale nominaal thermisch ingangsvermogen 17.953 kW (8.991 kW + 8.962 kW) bedraagt. Verweerder (minister voor Innovatie en Technologie, bevoegd om emissievergunningen te verlenen) heeft verzoekster een boete opgelegd wegens de uitoefening van activiteiten die leiden tot de emissie van broeikasgassen zonder de overeenkomstige emissievergunning. Verweerder stelt dat de door verzoekster toegepaste operationele handelwijze slechts het nominaal thermisch ingangsvermogen van twee ketels weergeeft, en dus niet het nominaal thermisch ingangsvermogen van alle (in totaal 3) ketels.

Het ingebouwde nominaal thermisch vermogen van de drie, met behulp van software beperkte stoomketels is nog steeds boven 20 MWth. Verzoekster heeft de verwijzende rechter onder meer verzocht om vast te stellen dat, in het kader van het nemen van een besluit inzake de opneming in het EU-ETS, bij de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen rekening moet worden gehouden met een beperking die verhindert dat de betreffende eenheid functioneert tegelijk met de werkende eenheid, dan wel op een thermisch vermogen dat die beperking overstijgt.

Overweging:

Voor de beslechting van dit geschil dient te worden verduidelijkt of in het kader van de opneming van een activiteit in het EU-ETS rekening moet worden gehouden met de vraag of een eenheid – ongeacht of het gaat om een eenheid die deel uitmaakt van de installatie of om een reserve-eenheid of backupeenheid – de emissies rechtstreeks beïnvloedt, of daarin verbranding van brandstoffen plaatsvindt of daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden en of deze eenheid technisch in verband staat met dergelijke activiteiten. Als dat niet het geval is, dan rijst de vraag of het nominaal thermisch ingangsvermogen van deze eenheid buiten beschouwing kan worden gelaten bij de berekening van het totale nominaal thermisch ingangsvermogen.

Prejudiciële vraag:

Kan richtlijn 2003/87/EG, en met name bijlage I, punt 3, bij die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat in het kader van de vaststelling of de verbranding van brandstoffen die plaatsvindt in de betrokken installatie dient te worden opgenomen in de gemeenschapsregeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (het EU-ETS), [de berekening van] het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van die installatie wordt beïnvloed door de aangetoonde beperkte exploitatie van een technische eenheid die deel uitmaakt van de installatie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW