C-575/21 WertInvest Hotelbetrieb

Contentverzamelaar

C-575/21 WertInvest Hotelbetrieb

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik
hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    5 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    22 december 2021

Trefwoorden : milieueffectenbeoordeling, bouwvergunning, drempelwaardes, locaties met bijzonder belang

Onderwerp :

-           Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014.

Feiten:

Verzoeker WertInvest Hotelbetriebs GmbH heeft bij het stadsbestuur van Wenen een bouwvergunning aangevraagd voor een project. Project is het slopen van een bestaand hotelgebouw en het bouwen van twee nieuwe gebouwen met verschillende doeleinden, waaronder hotelaccommodatie en het houden van conferenties en evenementen. Omringede faciliteiten worden ook toegevoegd dan wel onder handen genomen. Het project vindt plaats in de kernzone van het historisch centrum van Wenen dat een Unesco-werelderfgoedsite is.

Verzoeker heeft een verklaring gezocht voor vrijstelling van milieueffectenbeoordeling, dat door de regering van de deelstaat Wenen is verschaft, omdat drempelwaarden uit hoofde van nationale bepalingen niet werden bereikt. Tegen dit besluit is door omwonenden en een milieuorganisatie beroep ingesteld, waarna het vrijstellingsverzoek door verzoeker is ingetrokken. Desondanks heeft de Oostenrijkse rechter de zaak onder handen genomen en geoordeeld dat milieueffectenboordeling verplicht was. In hoger beroep is besloten dat de rechter niet meer bevoegd was na intrekking van het verzoek, hoewel het besluit tot verstrekking van de vrijstelling door de regering van de deelstaat Wenen nietig is verklaard.

Gedurende de procedures is het verzoek tot een bouwvergunning aanhangig gebleven bij het stadsbestuur, dat het proces wilde afwachten. Hiertegen heeft verzoeker een klacht ingediend bij de bestuursrechter in eerste aanleg wegens stilzitten en heeft verzocht aan de rechter om de bouwvergunning af te geven, zonder dat milieubeoordeling plaats hoeft te vinden. Tegen die achtergrond heeft de bestuursrechter prejudiciële vragen gesteld.

Overweging:

Onder nationaal recht gelden drempelwaarden, die bereikt moeten worden voordat er sprake zou kunnen zijn van een verplichte milieueffectbeoordeling voor stadsontwikkelingsprojecten, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met cumulatieve effecten van stedelijke bouwprojecten van de afgelopen vijf jaar. De drempelwaarden bevatten enkel criteria op basis van oppervlaktegebruik en vloeroppervlak, maar geen referentie naar de speciale ligging, aard of omvang van stadsprojecten die wel worden genoemd als selectiecriteria in de richtlijn ter bepaling van drempelwaarden (Bijlage III van de richtlijn). Dit heeft de rechter aanleiding gegeven te twijfelen aan de correcte omzetting van de richtlijn in Oostenrijks recht en vragen te stellen over de daadwerkelijke eisen die voorvloeien uit de richtlijn met betrekking tot het verplicht uitvoeren van milieueffectbeoordelingen.

Prejudiciële vragen:

I. Staat richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014, L 124, blz. 1) (hierna: „richtlijn 2011/92”) in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan de uitvoering van een milieueffectbeoordeling voor „stadsontwikkelingsprojecten” zowel afhankelijk wordt gesteld van het bereiken van drempelwaarden die liggen bij een oppervlaktegebruik van ten minste 15 ha en een bruto vloeroppervlak van meer dan 150 000 m2, als van het feit dat het gaat om een ontwikkelingsproject voor een geheel van multifunctionele bebouwing, in elk geval met residentiële en commerciële gebouwen met inbegrip van de daarvoor aangelegde ontsluitingswegen en nutsvoorzieningen, met een verzorgingsgebied dat groter is dan het gebied van het project zelf? Speelt in dit verband een rol dat in het nationale recht specifieke criteria zijn vastgesteld inzake – recreatie- of pretparken, sportstadions of golfterreinen (vanaf een bepaald oppervlaktegebruik of een bepaald aantal parkeerplaatsen),

– industrie- of bedrijventerreinen (vanaf een bepaald oppervlaktegebruik),

– winkelcentra (vanaf een bepaald oppervlaktegebruik of vanaf een bepaald aantal parkeerplaatsen),

– logiesbedrijven, zoals hotels of vakantiedorpen, met inbegrip van bijbehorende faciliteiten (vanaf een bepaald aantal bedden of vanaf een bepaald oppervlaktegebruik, beperkt tot gebieden buiten de bebouwde kom), en

– openbaar toegankelijke parkeerterreinen of parkeergarages (vanaf een bepaald aantal parkeerplaatsen)?

II. Vereist richtlijn 2011/92 dat voor gebieden van bijzonder historisch, cultureel, stedenbouwkundig of architectonisch belang, zoals Unescowerelderfgoedsites, lagere drempelwaarden of laagdrempeligere criteria worden vastgesteld dan die welke in de eerste vraag worden genoemd, met name gelet op het in bijlage III, punt 2, onder c), viii), vervatte voorschrift dat bij de beantwoording van de vraag of de in bijlage II genoemde projecten aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen, ook in aanmerking moet worden genomen of het gaat om „landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang”?

III. Staat richtlijn 2011/92 in de weg aan een nationale regeling die bij de beoordeling van een „stadsontwikkelingsproject” in de zin van de eerste vraag de samentelling (cumulatie) met andere gelijksoortige en ruimtelijk samenhangende projecten in zoverre beperkt dat in dit verband uitsluitend rekening behoort te worden gehouden met de som van de capaciteiten waarvoor in de loop van de afgelopen vijf jaar een vergunning is afgegeven, met inbegrip van de aangevraagde capaciteit of capaciteitsuitbreiding, met dien verstande dat stadsontwikkelingsprojecten of delen ervan, zodra zij zijn uitgevoerd, begripsmatig niet meer als stadsontwikkelingsprojecten behoren te worden beschouwd en de vaststelling in het individuele geval of wegens een cumulatie van effecten aanzienlijke schadelijke, hinderlijke of nadelige milieueffecten te verwachten vallen zodat het voorgenomen project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, achterwege blijft wanneer dat project een capaciteit van minder dan 25 % van de drempelwaarde heeft?

IV. Indien de eerste en/of de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, mag het bij een overschrijding van de aan de lidstaat toekomende beoordelingsmarge door de nationale autoriteiten (overeenkomstig de – in dit geval rechtstreeks toepasselijke – bepalingen die zijn vervat in artikel 2, lid 1, en artikel 4, leden 2 en 3, van richtlijn 2011/92) per geval te verrichten onderzoek naar het antwoord op de vraag of het project mogelijkerwijs aanzienlijke milieueffecten heeft en bijgevolg aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, dan beperkt blijven tot bepaalde beschermingsaspecten, zoals het beschermingsdoel van een bepaald gebied, of dienen in dat geval alle in bijlage III bij richtlijn 2011/92 genoemde criteria en aspecten in aanmerking te worden genomen?

V. Is het op grond van richtlijn 2011/92, met name gelet op de rechtsbeschermingsvereisten van artikel 11, toegestaan dat het in de vierde vraag bedoelde onderzoek voor het eerst wordt verricht door de verwijzende rechter (in een bouwvergunningsprocedure en in verband met de toetsing van zijn eigen bevoegdheid), met dien verstande dat dit onderzoek wordt uitgevoerd in een procedure waarin het „publiek” naar nationaal recht slechts in zeer beperkte mate kan optreden als partij en dat de leden van het „betrokken publiek” in de zin van artikel 1, lid 2, onder d) en e), van richtlijn 2011/92 slechts in zeer beperkte mate rechtsbescherming genieten? Speelt het bij de beantwoording van deze vraag een rol dat naar nationaal recht – afgezien van de mogelijkheid van vaststelling ambtshalve – enkel de projectontwikkelaar, een betrokken overheidsorgaan of de Umweltanwalt [(ombudsman in milieuzaken, Oostenrijk)] om een afzonderlijke declaratoire uitspraak kan verzoeken met betrekking tot de vraag of het project onderworpen is aan de verplichting om een milieueffectbeoordeling uit te voeren?

VI. Is het op grond van richtlijn 2011/92 in het geval van „stadsontwikkelingsprojecten” in de zin van punt 10, onder b), van bijlage II bij deze richtlijn toegestaan dat vóór of tijdens de uitvoering van een noodzakelijke milieueffectbeoordeling dan wel vóór de voltooiing van een onderzoek van de milieueffecten per geval dat wordt verricht om na te gaan of een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, vergunningen worden afgegeven voor afzonderlijke bouwmaatregelen die deel uitmaken van het stadsontwikkelingsproject in zijn geheel, met dien verstande dat in het kader van de bouwprocedure geen alomvattende beoordeling van de milieueffecten in de zin van richtlijn 2011/92 wordt verricht en het publiek slechts in beperkte mate kan optreden als partij?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-244/12 Salzburger Flughafen; C-645/15 Bund Naturschutz in Bayern en Wilde.

Specifiek beleidsterrein: IenW