C-579/25 DelicaSea
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 4 november 2025 Schriftelijke opmerkingen: 21 december 2025
Trefwoorden: bescherming merkrechten, vrij verkeer van goederen, douanestatus, parallelimport
Onderwerp: Richtlijn 2004/48 (Handhavingsrichtlijn): artikel 13; Richtlijn 2008/95 (Merkenrichtlijn): artikel 5; Verordening 207/2009 (Gemeenschapsmerkenverordening): artikel 9.
De onderneming Bacardi stelt dat de handelaren ‘DelicaSea’ en ‘Van Caem c.s.’ inbreuk maken op haar merkrechten door Bacardi-producten te verhandelen die niet met haar toestemming in de EER zijn gebracht, een onjuiste douanestatus (T2 i.p.v. T1) hebben, én waarvan de productcodes zijn verwijderd. Het Gerechtshof Den Haag vraagt het Hof wanneer er sprake is van merkinbreuk bij parallelhandel, en vraagt onder andere om uitleg van het ‘noodzakelijkerwijs-criterium’ uit het arrest Class (C-405/03).
Prejudiciële vragen: 1. Moeten artikel 5, leden 1 en 3, sub b van de Merkenrichtlijn 2008 en artikel 9, leden 1 en 3, sub b Gemeenschapsmerkenverordening 2009 aldus worden uitgelegd dat de begrippen ‘aanbieden ’ en ‘in de handel brengen ’ in die artikelen mede kunnen omvatten het te koop aanbieden respectievelijk verkopen en/of leveren van oorspronkelijke merkgoederen die niet door of met toestemming van de merkhouder in de Gemeenschap (thans EER) in de handel zijn gebracht en die de douanestatus van niet-communautaire (thans niet-Unie) goederen hebben, wanneer de goederen te koop worden aangeboden
en/of verkocht en/of geleverd terwijl zij zijn geplaatst onder de regeling extern douanevervoer of de regeling douane-entrepot, indien de (potentiële) koper ten tijde van het te koop aanbieden, de verkoop en/of de levering het vaste concrete voornemen heeft die goederen in te voeren en in de handel te brengen in een lidstaat waar de merkhouder een nationaal merkrecht heeft of in de Gemeenschap (thans en hierna: EU) als de merkhouder een Gemeenschapsmerk (thans en hierna: Uniemerk) heeft en er geen concrete aanwijzingen zijn om aan te nemen dat dit voornemen niet daadwerkelijk zal worden uitgevoerd?
1a. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang of dit voornemen na het te koop aanbieden, de Verkoop en/of de levering ook daadwerkelijk is uitgevoerd? 1b. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang of deze (potentiële) koper een in de EU gevestigde groot- of detailhandelaar is en/of al eerder dit soort goederen heeft ingevoerd en/of heeft verkocht in de EU? 1c. Is voor de beantwoording van voorgaande vragen van belang of degene die deze merkgoederen te koop aanbiedt en/of verkoopt en/of levert ten tijde van dat aanbieden en/of verkopen en/of leveren weet of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat zijn (potentiële) koper het vaste concrete voornemen heeft die goederen in te voeren en in de handel te brengen in de EU?
2. Moet artikel 13 van de Handhavingsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 45 van het TRIPs- Verdrag, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in artikel 2.21, lid 4 BVIE, volgens welke de houder van een merkrecht waarop inbreuk is gemaakt, slechts afdracht van door de inbreukmaker door de inbreuk genoten winst kan vorderen als sprake is van kwade trouw? 2a. Indien vraag 2 ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 13 van de Handhavingsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 45 van het TRIPs-verdrag aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitlegging van een nationale regeling volgens welke de houder van een merkrecht waarop inbreuk is gemaakt, geen afdracht van door de inbreukmaker door de inbreuk genoten winst kan vorderen als de inbreukmaker wiens handelen achteraf inbreukmakend wordt geoordeeld, het verwijt van inbreuk heeft bestreden met een verweer dat in redelijkheid niet als bij voorbaat kansloos kan worden aangemerkt?
3. Moet artikel 8 van de Handhavingsrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 3 van de Handhavingsrichtlijn, aldus worden uitgelegd dat het zich in geval van ongeoorloofde parallelhandel in originele merkproducten in beginsel verzet tegen de uitleg van een nationale bepaling volgens welke de maatregel van het verschaffen van informatie niet alleen ziet op verschaffing van informatie over door een rechter vastgestelde of aannemelijk geachte inbreuken, maar ook op handelingen waarvan niet door een rechter is vastgesteld of aannemelijk is geacht dat daardoor inbreuk is gemaakt?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-405/03 Class; C-379/14 Top Logistics; C-280/15 Nikolajeva; C-367/15 Kablowa; C-628/21 Castorama Polska en Knor.
Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZ