C-580/21 EEW Energy from Waste

Contentverzamelaar

C-580/21 EEW Energy from Waste

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    26 december 2021

Trefwoorden : energie uit hernieuwbare bronnen, voorrang, distributie aan systeem, biomassa

Onderwerp :

Richtlijn 2009/28/EG van het Europees parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van richtlijn 2011/77/EG en richtlijn 2003/30/EG.

Feiten:

Verzoekster exploiteert een thermische afvalverwerkingsinstallatie die elektriciteit en warmte produceert door middel van de verbranding van biomassa zonder deze van andere bestanddelen te scheiden. Daarbij wordt elektriciteit opgewekt, die gedeeltelijk door verzoekster in het distributiesysteem van verweerster wordt ingebracht. Daartoe bestaat tussen de partijen een overeenkomst met betrekking tot aansluiting en toevoer. Tussen 2011 en 2016 is verzoekster door verweerster opgeroepen minder elektriciteit aan te voeren wegens beknelling van het systeem. Daarvoor heeft verzoekster schadevergoeding gevorderd bij verweerster op basis van een ‘hardheidsregeling’, die compensatie oplegt ingeval de toevoer van stroom uit hernieuwbare bronnen door beknelling van het systeem tijdelijk moet worden teruggebracht. Immers, conform de richtlijn (artikel 16, lid 2, onder c)) heeft duurzaam opgewekte stroom voorrang. De vordering is door verweerster geweigerd. Beroep (in tweede aanleg) ingesteld door verzoekster is afgewezen, op grond van het feit dat de opgewekte elektriciteit niet uitsluitend uit hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt.

Overweging:

In geschil is of de verbranding van afval dat voor maximaal 50% bestaat uit biomassa als “hernieuwbare energiebron” en als energie opgewekt uit “biomassa” kwalificeert in de zin van artikel 2, onder a), resp. onder e), van de richtlijn. Daarnaast is onduidelijk of, indien dit het geval is, de grootte van het aandeel van de hernieuwbaar-opgewekte energie van belang is, waarbij de verwijzende rechter oordeelt dat de hardheidsregeling ook geldt voor installaties die niet uitsluitend gebruik maken van hernieuwbare energiebronnen. Tenslotte is de status van het aandeel energie dat niet opgewekt is uit hernieuwbare bronnen onduidelijk ten aanzien van de berekening van het bruto-eindverbruik in de zin van artikel 5, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 16, lid 2, onder c), juncto artikel 2, onder a), en onder e), van richtlijn 2009/28/EG aldus worden uitgelegd dat in verband met de toevoer van elektriciteit aan het net ook voorrang aan opwekkingsinstallaties moet worden verleend waarin elektriciteit wordt opgewekt door de thermische verwerking van gemengd afval, waarbij het afval een variabele biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval bevat?

2. Ingeval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: hangt de verlening van voorrang bij de toevoer van elektriciteit op grond van artikel 16, lid 2, onder c), van richtlijn 2009/28/EG dan af van de hoogte van de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval die bij de elektriciteitsopwekking, zoals beschreven in punt 1, wordt gebruikt?

3. Ingeval de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: bestaat er een materialiteitsdrempel voor de biologisch afbreekbare fractie van afval waaronder de regelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen niet van toepassing zijn op de opgewekte elektriciteit?

4. Ingeval de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: bij welke fractie ligt deze drempel dan, of hoe moet deze worden bepaald?

5. Ingeval de eerste twee vragen bevestigend worden beantwoord, kan dan uit de bepaling van artikel 5, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2009/28/EG worden afgeleid dat deze regelingen enkel van toepassing zijn op het aandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en dat de bijdrage van elke energiebron wordt berekend op basis van haar energie-inhoud, voor zover de regelingen inzake elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen worden toegepast op elektriciteit die slechts gedeeltelijk uit biologisch afbreekbaar afval is opgewekt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: n.v.t.

Specifiek beleidsterrein: EZK, IenW