C-582/23 Wiszkier

Contentverzamelaar

C-582/23 Wiszkier

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 13 november 2023
Schriftelijke opmerkingen:                 30 december 2023

Trefwoorden: oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, faillisementsprocedure

Onderwerp: Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: „richtlijn 93/13”): artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1.

Feiten:

R.S. is failliet verklaard. De failliete boedel bestond onder meer uit een aandeel in de eigendom van een onroerend goed. Op het onroerende goed is een hypotheek gevestigd bij schuldeiser G. De rechter is van oordeel dat de onderzochte overeenkomst oneerlijke contractuele bedingen bevat en dat deze bedingen mogelijk tot de nietigheid van de overeenkomst leiden. Op grond van de in de faillissementsprocedure opgestelde lijst van schuldvorderingen moet de rechterlijke instantie voor de gefailleerde R. S. een afbetalingsplan ten gunste van de schuldeisers opstellen.

Overweging:

De toepasselijke bepalingen van nationaal recht staan de faillissementsrechter niet toe om bij de opstelling van een afbetalingsplan ten gunste van schuldeisers zelf contractuele bedingen te toetsen op het oneerlijke karakter ervan. Bij twijfel over het oneerlijke karakter van contractuele bedingen kan de faillissementsrechter de behandeling van de zaak schorsen en de zaak voorleggen aan de rechter-commissaris zodat deze de mogelijkheid heeft om de lijst van schuldvorderingen ambtshalve te wijzigen. Dat leidt tot een ongerechtvaardigde vertraging bij de behandeling, aangezien de rechter in het kader van de terechtzitting voor de opstelling van het afbetalingsplan gewoonlijk reeds over alle informatie beschikt die hij nodig heeft om het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te beoordelen.

Bij de behandeling van de zaak over de opstelling van het afbetalingsplan is de rechter tot de overtuiging gekomen dat de geldende nationale regels het voor een gefailleerde consument onnodig moeilijk, zo niet onmogelijk kunnen maken om de bescherming van zijn rechten uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden. Het faillissementsrecht staat daarentegen niet toe dat een rechterlijke instantie waarvoor een zaak betreffende de opstelling van een afbetalingsplan aanhangig is een overeenkomst toetst op oneerlijke bedingen. Het Hof heeft herhaaldelijk benadrukt dat het ambtshalve toetsen van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen een op de nationale rechters rustende verplichting is en dat een buitensporige werklast of andere praktische moeilijkheden er geen rechtvaardiging voor vormen om zich aan die verplichting te onttrekken.

Het Hof heeft eerder geoordeeld dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale rechtspraak volgens welke de nationale rechter een verzoek van een consument om een voorlopige maatregel strekkende tot opschorting van de betaling van de maandelijkse aflossingen die op grond van een door deze consument gesloten leningsovereenkomst verschuldigd zijn, in afwachting van een eindbeslissing over de nietigverklaring van deze overeenkomst op grond dat die overeenkomst oneerlijke bedingen bevat, kan afwijzen, wanneer dergelijke maatregelen noodzakelijk zijn om de volle werking van die beslissing te waarborgen.

De faillissementsprocedure voorziet niet in de mogelijkheid dat de rechter op verzoek of ambtshalve voorlopige maatregelen treft. Uiteraard dient de rechter met het oog op het gelasten van voorlopige maatregelen in het kader van de faillissementsprocedure de belangen van de gefailleerde af te wegen tegen die van de bij de procedure betrokken schuldeisers. Het karakter van een faillissementsprocedure als tenuitvoerlegging onder algemene titel ten aanzien van het vermogen van een schuldenaar verzet er zich naar het oordeel van de rechter in beginsel tegen dat voorlopige maatregelen worden getroffen om het bedrag van door een gefailleerde verschuldigde aflossingen te verlagen. Als gevolg van deze regeling, die het treffen van voorlopige maatregelen uitsluit, wordt de gefailleerde evenwel mogelijk ontraden om een beroep op bescherming te doen krachtens richtlijn 93/13.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan een faillissementsrechter gebonden is aan een lijst van schuldvorderingen die in het kader van een faillissementsprocedure is goedgekeurd door een rechter-commissaris, zodat de faillissementsrechter die de eindbeslissing in de procedure moet geven, de contractuele bedingen niet op oneerlijkheid kan beoordelen?

2. Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan in het kader van een faillissementsprocedure geen voorlopige maatregelen kunnen worden gelast, zodat consumenten mogelijk worden ontmoedigd om een beroep te doen op de bescherming die hun door die richtlijn wordt geboden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-807/19, DSK Bank en FrontEx International.

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten