C-586/25 en C-630/25 Cedrosiwicz e.a.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 19 november 2025 Schriftelijke opmerkingen: 5 januari 2026
Trefwoorden: kredietovereenkomsten, oneerlijke bedingen, benchmarks, consumentenbescherming
Onderwerp: VWEU: artikel 4, lid 3 en artikel 19, lid 1, eerste alinea; Richtlijn 93/13 (oneerlijke bedingen): overwegingen 21 en 24, artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1; Richtlijn 2014/17 (inzake kredietovereenkomsten voor consumenten); Verordening 2016/1011 (betreffende indices als benchmarks voor financiële instrumenten); Uitvoeringsverordening 2019/482.
In beide zaken waren er consumenten die een kredietovereenkomst hadden afgesloten met een bank (tevens verweerder). In deze overeenkomsten werd opgenomen dat de bank op jaarbasis kredietrente tegen een variabele rentevoet in rekening brengt, gebaseerd op de WIBOR-benchmark. In beide zaken vaardigde de rechter na een aantal wanbetalingen een betalingsbevel uit tegen de consumenten, waartegen zij geen verzet aantekenden. In de tenuitvoerleggingsprocedure verzoeken de consumenten om de executoriale titel niet-uitvoerbaar te verklaren omdat de kredietovereenkomsten niet waren onderzocht op oneerlijke bedingen. De Poolse rechter vraagt zich (voornamelijk in zaak C-586/25) af of dit in dit stadium nog mogelijk is, nu het betalingsbevel gezag van gewijsde heeft verkregen. Daarnaast stelt de rechter in beide zaken vragen over de geldigheid van de benchmarks-bedingen.
Prejudiciële vragen C-585/25: 1) Vereist het beginsel van uitlegging van het nationale recht in overeenstemming met het Unierecht, dat voortvloeit uit artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (PB 2012, C 326, blz. 13) en uit de rechtspraak van het Hof, dat een bepaling van nationaal recht zoals artikel 840, lid 1, punten 1 en 2, van de ustawa-kodeks postępowania cywilnego (wet tot vaststelling van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz. U. 2020, volgnr. 1575, zoals gewijzigd; hierna ook: „k.p.c.”) ruim wordt uitgelegd, zodat de daarin vervatte gronden waarop een executoriale titel niet-uitvoerbaar kan worden verklaard ook gelden ten aanzien van een betalingsbevel dat door de rechter in een bevelprocedure is uitgevaardigd op grond van de tot en met 7 november 2019 geldende bepaling van artikel 485, lid 3, k.p.c., indien het door de consumenten aangetekende verzet strekkende tot opheffing van de uitvoerbaarheid van dat bevel erop berust dat de kredietovereenkomst oneerlijke contractuele bedingen bevat en zij hun verzet ondanks de ontvangst van een afschrift van het betalingsbevel niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn hebben aangetekend?
2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 4, lid 2, in fine, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) aldus worden uitgelegd dat een beding in een consumentenkredietovereenkomst die is gesloten alvorens verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 20161 in werking is getreden, met betrekking tot een variabele rentevoet die onder meer wordt vormgegeven op basis van de WIBOR, kan worden geacht „in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen” te zijn geformuleerd, indien tegelijkertijd: a) de bank de kredietnemer ervan in kennis heeft gesteld dat de variabele rentevoet bestaat uit een marge en een benchmark; b) de bank er de kredietnemer niet van in kennis heeft gesteld hoe en door wie die benchmark wordt vastgesteld en hoe deze zich heeft ontwikkeld in voorgaande jaren; c) in de overeenkomst met betrekking tot die benchmark is verwezen naar een externe informatiedienst waartoe de consumenten noch gedurende de looptijd van het krediet noch na het verstrijken van de kredietovereenkomst gegarandeerde toegang hadden, in een situatie waarin zij aanspraak kunnen maken op rechten die eruit voortvloeien dat de kredietovereenkomst oneerlijke contractuele bedingen bevat?
3) Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij een consumentenkredietovereenkomst aanzienlijk wordt verstoord ten nadele van de consument wanneer de overeenkomst een beding bevat dat de WIBOR een factor is die van invloed is op de fluctuatie van de rentevoet en deze benchmark op de datum van sluiting van de overeenkomst niet werd geregeld door algemeen verbindende voorschriften maar werd vastgesteld door een derde die niet aan institutioneel toezicht onderworpen was, in een situatie waarin de kredietverstrekkende bank indirect invloed op die benchmark had?
4) Indien de bovenstaande vragen bevestigend worden beantwoord: moet artikel 6, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad aldus worden uitgelegd dat wanneer een beding tot vaststelling van een variabele rentevoet wordt geacht oneerlijk te zijn op grond dat de rentevoet wordt vormgegeven onder verwijzing naar de WIBOR, de contractpartijen voor het overige aan een kredietovereenkomst gebonden kunnen blijven in de veronderstelling dat daarbij een krediet met een vaste rentevoet is verstrekt en dat deze rentevoet bestaat in de door de bank gehanteerde vaste marge of heeft de omstandigheid dat de consument niet aan het oneerlijk verklaarde variabelerentebeding gebonden is tot gevolg dat de overeenkomst ex tunc nietig moet worden verklaard?
Prejudiciële vragen C-630/25:
Houdt de sluiting tussen een bank en een consument van een hypothecaire kredietovereenkomst met een variabele rentevoet die is gesloten vóór 1 januari 2018 in dat: 1. artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus moeten worden uitgelegd dat de bank gehouden is om de consument te informeren over: a. de entiteit die is belast met de ontwikkeling van de benchmark die wordt gehanteerd bij de vaststelling van de debetrentevoet; b. de gedetailleerde regels voor de vaststelling van die benchmark, waaronder met name: – de bepalingen van het reglement waarin die regels zijn geformuleerd, – het feit dat de benchmark wordt berekend op basis van verklaringen van een bankconsortium en niet op basis van daadwerkelijk verrichte markttransacties?
2. artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus moet worden uitgelegd dat een contractueel beding moet worden geacht oneerlijk te zijn wanneer het voorziet in de vaststelling van een debetrentevoet op grond van een benchmark die: a. wordt berekend op basis van verklaringen van een bankconsortium en niet op basis van daadwerkelijk verrichte markttransacties; b. niet is gedefinieerd in het nationale recht of het Unierecht maar in het interne reglement van een vereniging die is opgericht door banken of bankmedewerkers, zonder dat een overheidsorgaan toezicht uitoefent op de wijze waarop die benchmark wordt ontwikkeld, c. geen weerspiegeling is van de werkelijke financieringskosten van het krediet?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-240/98 tot en met C-244/98 Océano Grupo Editorial en Salvat Editores; C-105/03; C-268/06 Impact; C-482/13, C-484/13, C-485/13 en C-487/13 Unicaja Banco en Caixabank; C-143/13; C-414/16; C-176/17 Profi Credit Polska; C-260/18; C-125/18; C-495/19 Kancelaria Medius; C-452/18 Ibercaja Banco; C-287/19 DenizBank; C-19/20 Bank BPH; C-693/19 en C-831/19 SPV Project 1503 e.a.; C-265/22 Banco Santander; C-531/22 Getin Noble Bank e.a.; C-582/21 Profi Credit Polska.
Specifiek beleidsterrein: EZ