C-595/23 Cuprea 

Contentverzamelaar

C-595/23 Cuprea 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 november 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    31 december 2023

Trefwoorden: aanhoudingsbevel, signalering, vrij verkeer

Onderwerp:

- Kaderbesluit 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten: artikel 4;

- Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie: artikel 25; en

- Verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging en intrekking van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie: de artikelen 24 - 26, artikel 55, lid 1 en overweging 46.

Feiten:

Roemenië heeft een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van strafvonnis waarbij de verzoekende partij, EDS, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en 6 maanden. Tegelijkertijd heeft Roemenië een signalering in het Schengeninformatiesysteem ingevoerd overeenkomstig voor de aanhouding van EDS met het oog op zijn overlevering aan Roemenië. In 2020 is EDS in Italië aangehouden heeft de bevoegde rechterlijke instantie de overlevering van EDS aan Roemenië geweigerd en tegelijkertijd het Roemeense strafvonnis erkend waarop het Europees aanhoudingsbevel was gebaseerd, en gelast dat de straf in Italië overeenkomstig het nationale recht ten uitvoer zou worden gelegd. Roemenië heeft de signalering betreffende EDS niet en evenmin het Europees aanhoudingsbevel tegen hem ingetrokken, ondanks dat de overlevering was geweigerd en tegelijkertijd het vonnis was erkend met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan in Italië. EDS voert bij de aangezochte rechter in Italië aan dat hij alle rechtsmiddelen die hem naar Roemeens recht ter beschikking staan tevergeefs heeft aangewend en de feitelijke situatie dus een onrechtmatige beperking van zijn persoonlijke vrijheid en van zijn recht van vrij verkeer tot gevolg heeft, omdat hij, zolang de signalering niet uit SIS is gewist, in elke lidstaat waarheen hij reist nog steeds zal worden aangehouden.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter lijkt EDS recht te hebben op intrekking van het door Roemenië uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel en op wissing van de SIS ingevoerde signalering. De verwijzende rechter stelt dat het duidelijk is dat het Europees aanhoudingsbevel geen functie meer heeft, zowel in het geval dat de overlevering heeft plaatsgevonden als in het geval dat de overlevering is geweigerd na erkenning van het buitenlandse strafvonnis met het oog op de tenuitvoerlegging op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat en de tenuitvoerlegging is ingegaan. Middels de vragen wenst de verwijzende rechter te weten te komen of het Unierecht voorziet in rechtsinstrumenten voor de rechtstreekse bescherming van het recht van de gevonniste persoon om niet verder te worden vervolgd op grond van het Europees aanhoudingsbevel en de SIS-signalering zodra met de tenuitvoerlegging van de erkende sanctie is begonnen op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat.

Prejudiciële vragen:

VERZOEK OM EEN PREJUDICIËLE SPOEDPROCEDURE

• artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002,

• artikel 22, lid 1, en artikel 25 van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008,

• de artikelen 24, 25, 26 en artikel 55, lid 1, van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad 28 november 2018,

• overweging 46 van verordening (EU) 2018/1862 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018,

gelezen in onderlinge samenhang, aldus moeten worden uitgelegd dat,

1. wanneer de tenuitvoerleggingsstaat de overlevering van de persoon heeft geweigerd waarom de beslissingsstaat heeft verzocht bij een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een strafvonnis, en het vonnis heeft erkend en de tenuitvoerlegging van de straf op zijn grondgebied overeenkomstig zijn nationale recht heeft gelast, en met de tenuitvoerlegging is begonnen, de beslissingsstaat verplicht is om de in SIS ingevoerde signalering te wissen en het Europees aanhoudingsbevel in te trekken?

2. zolang de beslissingsstaat het Europees aanhoudingsbevel niet heeft ingetrokken en de signalering niet heeft gewist, de rechterlijke autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat bevoegd is om het SIRENEbureau van de beslissingsstaat te verzoeken om de signalering uit SIS te wissen, en dat SIRENE-bureau verplicht is om dit verzoek in te willigen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten