C-599/25 Restauracao e Hotelaria
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 1 januari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 18 februari 2026
Trefwoorden: overheidsopdrachten, terugvordering financiële steun, bewijslast
Onderwerp: Richtlijn 2014/24 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten: artikelen 2 en 5.
Verzoekende partij is een vennootschap die zich bezighoudt met het exploiteren van hotelcomplexen en horecadiensten. Zij kreeg subsidie voor het project ‘toeristisch complex Almargem’, bestaande uit een indoor waterpark, een hulpgebouw rivierstrand en een HVAC-installatie. Het gaat om een gesubsidieerde opdracht door middel van een financieringsovereenkomst. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de overheid waarbij het financiële correcties heeft opgelegd wegens vermeende kunstmatige opsplitsingen van de opdrachten, terwijl het in feite zou gaan om een ‘eenheid’ van de opdrachten. Verzoekster komt in het beroep op tegen het feit dat haar de bewijslast is opgelegd om te bewijzen dat het zelfstandige opdrachten zijn.
Prejudiciële vragen: 1. Kan de rechter op basis van de bewezen feiten overeenkomstig artikel 2[, lid 1, punt 7,] van richtlijn 2014/24/[EU] vaststellen dat er bij de kwalificatie van een geheel van werkzaamheden als „werk” geen sprake is van een en dezelfde economische en technische functie, of moet die omstandigheid uitdrukkelijk worden aangevoerd en aangetoond door de partij die zich daarop wil beroepen?
2. Wanneer er sprake is van een financieringsovereenkomst voor een project dat verschillende diensten omvat, kan die overeenkomst dan tot gevolg hebben dat de genoemde economische en technische eenvormigheid wordt vermoed te bestaan?
3. Indien wordt geoordeeld dat de rechter van de lidstaat in het licht van de bewezen feiten kan bepalen of er sprake is van één „werk” dan wel of het project meerdere „werken” omvat, en indien deze rechter concludeert dat er sprake is van meerdere werken, impliceert het feit dat er één enkele financieringsovereenkomst is dan dat deze werken als percelen moeten worden beschouwd voor de toepassing van hetgeen voor het vaststellen van de waarde van de opdracht is bepaald in artikel 5, leden 8 tot en met 10, van richtlijn 2014/24/[EU]?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-187/04 en C-188/04 Commissie/Italië; T-384/10 Spanje/Commissie; C-395/11 BLV Wohn- und Gewerbebau GmbH/Finanzamt Lüdenscheid.
Specifiek beleidsterrein: EZ