C-6/22 M.B. e.a.

Contentverzamelaar

C-6/22 M.B. e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    8 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    22 april 2022

Trefwoorden : oneerlijke bedingen, consumenten, hypothecaire lening

Onderwerp : Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 13 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

Feiten:

Op 04-06-2007 hebben verzoekers, in hun hoedanigheid van consumenten, met de verwerende bank een hypothecaire lening voor de aankoop van een woning gesloten, die was gekoppeld aan de koers van een vreemde valuta (CHF). Het krediet, waarover een rente in rekening werd gebracht op basis van de LIBOR, moest worden afgelost in 360 maandelijkse termijnen; verzoekers lossen het af in Poolse valuta. Verzoekers hebben hun vordering afgeleid uit de stelling dat de hypothecaire lening oneerlijke bedingen bevat, die partijen niet binden. Het door hen gevorderde bedrag was betaald zonder rechtsgrond, aangezien de bedingen van de overeenkomst over de vaststelling van de koers van de CHF oneerlijke bedingen zijn en dus zonder rechtsgevolg blijven. De overeenkomst kan dus in dat opzicht niet worden nagekomen, wat de conclusie rechtvaardigt dat het beding van de overeenkomst over de koppeling van het kredietbedrag ook nietig is. Het in de dagvaarding gevorderde bedrag is berekend alsof het krediet was verstrekt in Poolse valuta zonder koppeling, maar tegen de rentevoet voor een krediet gekoppeld aan de vreemde valuta. Volgens verweerster past een dergelijke constructie van een krediet in PLN gekoppeld aan een vreemde valuta in de figuur van het bancaire krediet en vormt zij geen schending van artikel 69 van de bankwet. Wat betreft de door verzoekers gevorderde afwikkeling van de overeenkomst op basis van de rentevoet voor de gekoppelde valuta, maar alsof het krediet was verstrekt in Poolse valuta zonder koppeling, heeft verweerster aangevoerd dat een dergelijke regeling in strijd zou zijn met de wil van partijen en niet in overeenstemming met het recht.

Overweging:

De prejudiciële vragen strekken ertoe vast te stellen wat de juiste procedure is die de rechter moet volgen bij de toepassing van de bepalingen van richtlijn 93/13 en de bepalingen van Pools recht waarbij deze richtlijn in Pools recht is omgezet. Wat betreft de eerste vraag berust het bij richtlijn 93/13 ingestelde beschermingsstelsel volgens vaste rechtspraak van het Hof op de veronderstelling dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie beschikt dan de verkoper, wat ertoe leidt dat hij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen. Het Hof heeft tevens verklaard dat met richtlijn 93/13 wordt beoogd de consument te beschermen en het evenwicht tussen de partijen te herstellen door als oneerlijk aangemerkte bedingen buiten toepassing te laten en tegelijkertijd de geldigheid van de overige bedingen van de betrokken overeenkomst in beginsel te behouden. Indien de rechter van oordeel is dat omrekeningsbedingen oneerlijk zijn kan de leemte die is ontstaan nadat een deel van de overeenkomst oneerlijk is verklaard, worden aangevuld door de rechter met bepalingen van aanvullend recht. Aangezien er in het Poolse recht geen bepalingen van aanvullend recht zijn die rechtstreeks kunnen worden toegepast om de overeenkomst aan te vullen, resteert nietigverklaring van de overeenkomst. De verwijzende rechter merkt in deze context op dat de voorschriften van het nationale verbintenissenrecht ertoe strekken de gelijke rechten tussen partijen te behouden. De gevolgen van een nietig verklaarde overeenkomst worden naar nationaal recht beheerst door de bepalingen over de onverschuldigde betaling en strekken er niet toe gelijke verliezen voor beide partijen vast te stellen, met voorbijgaan aan de noodzaak een van de partijen te beschermen. Wat betreft de tweede vraag: als de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, rijst de vraag naar de juiste procesvoering door de rechter op basis van richtlijn 93/13/EEG. Wat betreft de derde vraag: indien de nationale rechter, rekening houdend met de criteria van artikel 3 en artikel 5 van richtlijn 93/13, vaststelt dat een beding in een overeenkomst tussen een consument en een ondernemer in het licht van de concrete omstandigheden van het betreffende geval niet voldoet aan de eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie, zodat het een oneerlijk contractueel beding is dat van rechtswege nietig is, dan volgt uit artikel 6, lid 1, van de richtlijn dat de rechter die overeenkomst niet kan aanvullen door dat beding te wijzigen. De verwijzende rechter wendt zich tot het Hof met een vraag over de uitlegging van richtlijn 93/13 in een situatie waarin het niet mogelijk is beide doelen van de richtlijn te verwezenlijken. Welke van de doelstellingen is dan belangrijker: de bescherming van de consument, of de afschrikkende werking voor de verkoper.

Prejudiciële vragen:

a) Is in het licht van het doel van richtlijn 93/13/EEG, namelijk consumenten beschermen tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten met een verkoper, de uitlegging gerechtvaardigd dat deze richtlijn, na nietigverklaring door de rechter van de overeenkomst met toepassing van de regels van die richtlijn, niet meer van toepassing is, en daarmee de bescherming van de consument eindigt, zodat de regels voor de afwikkeling voor de consument en de verkoper moeten worden gevonden in de bepalingen van het nationale verbintenissenrecht dat van toepassing is op de afwikkeling van de nietig verklaarde overeenkomst?

b) Indien de rechter vaststelt dat een bepaald beding in een overeenkomst oneerlijk is, de overeenkomst na schrapping van dit beding niet van kracht kan blijven en consensus van de partijen ontbreekt over de aanvulling van de ontstane leemte met bedingen die in overeenstemming zijn met hun wil, moet de rechter de overeenkomst dan, bij ontbreken van bepalingen van aanvullend recht [die rechtstreeks van toepassing zijn op de overeenkomst indien consensus tussen de partijen ontbreekt], in het licht van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, nietig verklaren op basis van de wil van de consument die vordert dat de rechter de overeenkomst nietig verklaart of moet de rechter buiten de omvang van het geding treden en ambtshalve de vermogenssituatie van de consument onderzoeken om na te gaan of nietigverklaring van de overeenkomst zou leiden tot voor hem bijzonder ongunstige gevolgen?

c) Kan artikel 6 van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat de rechter, indien hij tot de conclusie komt dat nietigverklaring van een overeenkomst bijzonder ongunstig zou zijn voor de consument en partijen ondanks aansporing daartoe niet tot overeenstemming komen over de aanvulling van de overeenkomst, met het oog op het objectieve belang van de consument de leemte die na schrapping van de oneerlijke bedingen is ontstaan, aanvullen niet met bepalingen van nationaal recht die aanvullend zijn in de zin van het arrest van het Hof in zaak C-260/18 (dat wil zeggen die rechtstreeks van toepassing zijn op de leemte in de overeenkomst), maar met concrete bepalingen van nationaal recht die enkel overeenkomstig of naar analogie op de betrokken overeenkomst kunnen worden toegepast en die een regel van nationaal verbintenissenrecht weerspiegelen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid (C-484/08), Abanca Corporación Bancaria (C-70/17), Banco Santander (C-96/16), (C-94/17), Bank BPH (C-19/20), (C-260/18), Banco Español de Crédito (C-618/10), (C-26/13), (C-125/18), Banca B. (C-269/19)

Specifiek beleidsterrein: EZK