C-600/25 Ministerstvo na zemedelieto i hranite e.a.   

Contentverzamelaar

C-600/25 Ministerstvo na zemedelieto i hranite e.a.   

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement:     17 november 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     3 januari 2026

Trefwoorden: landbouwsteun, terugvordering steun, schadevergoeding, staatsaansprakelijkheid

Onderwerp: Verordening 1974/2006 (steun voor plattelandsontwikkeling): artikel 47, lid 1; VEU: artikel 4, lid 3; Verordening 1698/2005: artikelen 36 en 37; Verordening 1306/2013: overweging 5 en artikelen 2 en 121.

Een Bulgaarse landbouwer heeft in 2012 huurovereenkomsten gesloten voor landbouwgrond uit het grondfonds van de Staat. Na een wetwijziging in Bulgarije kon verzoeker niet meer voldaan aan de nieuwe voorwaarden, en werden zijn overeenkomsten beëindigd. Het Staatsfonds vorderde 50% terugbetaling van de gegeven steun. Na meerdere afwijzingen van zijn verzoek tot vrijstelling van de terugbetaling, stelt verzoeker in cassatie dat de hoogste bestuursrechters het Unierecht hebben geschonden door een verkeerde uitleg te geven aan de lijst van uitzonderingen in artikel 47 van verordening 1974/2006, en hebben verzaakt om prejudiciële vragen te stellen. De Bulgaarse rechter vraagt om uitleg van de verordening, en stelt vragen over staatsaansprakelijkheid bij een verkeerde toepassing van het Unierecht.

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 47, lid 1, van verordening nr. 1974/2006 aldus worden uitgelegd dat onder „overmacht of uitzonderlijke omstandigheden” ook een geval valt waarin de begunstigde van de steun het gebruiksrecht van de gehuurde activa uit het grondfonds van de Staat verliest wegens de opzegging van de huurovereenkomst ingevolge een na het aangaan van een meerjarige verbintenis in werking getreden wetswijziging die een nieuwe voorwaarde stelt voor het gebruik van deze gronden door de begunstigde, en hij alle maatregelen heeft genomen die hij zonder buitensporige offers te brengen kon nemen om de desbetreffende huurovereenkomst in overeenstemming te brengen met de nieuw ingevoerde voorwaarde? 

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is er sprake van een kennelijke schending van het Unierecht door nationale overheidsinstanties en rechterlijke instanties die tegengestelde conclusies, feitelijk en rechtens, hebben getrokken en op grond daarvan de begunstigde geen vrijstelling hebben verleend van de verplichting tot terugbetaling van de ontvangen steun? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat er tegenstrijdige rechtspraak van de Varhoven administrativen sad in soortgelijke zaken bestaat? 

3. Kan er sprake zijn van een kennelijke schending van het Unierecht wanneer de rechter die over de schadevergoeding beslist, vaststelt dat de nationale rechter die een definitieve uitspraak heeft gedaan de feiten en het bewijsmateriaal onjuist heeft beoordeeld en deze onjuiste beoordeling heeft geleid tot een feitelijk volstrekt onjuiste conclusie met betrekking tot het belangrijkste rechtens relevante feit? Is het in een procedure zoals het hoofdgeding toelaatbaar dat de rechter die over de schadevergoeding beslist, de juistheid van de definitieve rechterlijke uitspraak toetst en daarbij ook de beoordeling van de feiten en het bewijsmateriaal onderzoekt waarop de nationale rechter die de uitspraak heeft gedaan waaruit de vermeende schade zou voortvloeien zijn conclusies, feitelijk en rechtens, heeft gebaseerd? 
4. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is het Unierecht in het onderhavige geval, in het licht van overweging 5 van verordening (EU) nr. 1306/2013 en het beginsel van rechtszekerheid, kennelijk geschonden door een nationale rechter die een definitieve uitspraak heeft gedaan en heeft geweigerd over te gaan tot een prejudiciële verwijzing over de uitlegging van artikel 2, lid 2, van deze verordening? 

5. Is er sprake van een gekwalificeerde schending van het Unierecht wanneer een overheidsinstantie bij het vaststellen van een nationale gedelegeerde normatieve handeling ter uitvoering van een bepaling van het Unierecht die een niet-uitputtende opsomming van gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden bevat, de voorbeeldenlijst heeft beperkt tot slechts een deel van de in de Uniebepaling genoemde gevallen? 6. Indien de vijfde vraag bevestigend wordt beantwoord: bestaat er een direct causaal verband tussen deze schending en de schade die de begunstigde in het onderhavige geval heeft geleden, wanneer de schade het indirecte gevolg is van de uitlegging van de gedelegeerde normatieve handeling door andere nationale overheidsinstanties en rechterlijke instanties?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-224/01; C-330/14; C-173/03 Traghetti del Mediterraneo; C-168/15; C-571/16; C-656/22 Askos Properties.

Specifiek beleidsterrein: LVVN; JenV
 

Gerelateerde documenten