C-611/25 Dusu
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 31 maart 2026 Schriftelijke opmerkingen: 17 mei 2026
Trefwoorden: strafrecht, ne-bis-in-idem beginsel, EAB, EOB
Onderwerp: Handvest: artikel 50; Overeenkomst ter uitvoering van het [..] gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (SUO): artikel 54.
Verdachte in deze zaak is ‘CI’, een Oostenrijks staatsburger die in 2018 werd vervolgd in een strafzaak in Roemenië vanwege o.a. het maken en bezitten van kinderporno. Hij werd in huisarrest geplaatst in Roemenië, maar na vrijlating (onder plaatsing van gerechtelijk toezicht), is hij naar Oostenrijk gereisd. De Roemeense autoriteiten hebben een EAB uitgevaardigd, maar de Oostenrijkse autoriteiten weigerden deze en hebben zelf ook een gerechtelijke procedure ingesteld tegen de strafbare feiten die gepleegd zijn in Roemenië. De Oostenrijkse autoriteiten hebben bewijs opgevraagd bij de Roemeense autoriteiten (via een EOB). Het Weense OM heeft daarna beslist om de zaak te beëindigen. Ter discussie staat of Roemenië de strafvervolging nu nog kan voortzetten, of dat dat in strijd zou zijn met het ne-bis-in-idem beginsel zoals neergelegd in artikel 54 SUO en artikel 50 Handvest.
Prejudiciële vragen: 1) Moet voor de toepassing van het ne-bis-in-idem-beginsel van artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest worden voldaan aan de voorwaarde van „parallelle of opeenvolgende” strafprocedures? Is het ne-bis-in-idem-beginsel van artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest van toepassing in het geval van een strafprocedure die in Oostenrijk is ingeleid nadat een strafprocedure in Roemenië is ingeleid, maar die vóór het einde van deze laatste procedure is beëindigd?
2) a) Moet het ne-bis-in-idem-beginsel van artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de strafvervolging van een verdachte in een lidstaat – in casu Roemenië – wanneer de strafvervolging van deze persoon in een andere lidstaat – in casu Oostenrijk – door het openbaar ministerie is beëindigd en in Oostenrijk hetzelfde bewijs is aangevoerd als in de strafzaak in Roemenië en de benadeelde partijen zijn gehoord in aanwezigheid van de raadsman van de verdachte? b) Vormt een in een lidstaat – Oostenrijk – gevoerde procedure waarin hetzelfde bewijs wordt onderzocht als het in een andere strafprocedure in Roemenië aangevoerde bewijs, dat door laatstgenoemde lidstaat is verstrekt naar aanleiding van een door de Oostenrijkse autoriteiten uitgevaardigd Europees onderzoeksbevel, een uitgebreid onderzoek, dat een onherroepelijke beslissing na een beoordeling van de zaak ten gronde behelst in de zin van het ne-bis-in-idem-beginsel van artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest, wanneer de in de strafzaak in Roemenië betrokken benadeelden in Oostenrijk worden gehoord en het in de strafzaak in Roemenië aangevoerde bewijs in Oostenrijk wordt onderzocht en de zaak in Oostenrijk wordt afgesloten met een beslissing van de openbaar aanklager tot beëindiging of schorsing van de vervolging? Zo ja, welke staat is bevoegd om na te gaan of er sprake is geweest van een uitgebreid onderzoek en een beoordeling van de zaak ten gronde: de staat waar de onherroepelijke beslissing is gewezen (Oostenrijk) of de staat waar de verdere procedure wordt gevoerd (Roemenië)?
3) Verwijst de voorwaarde van dezelfde feiten (idem), die moet zijn vervuld voor de toepassing van het ne-bis-in-idem-beginsel van artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest, naar de concreet gepleegde feiten, beschouwd als een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en naar plaats en wat het voorwerp ervan betreft, of naar de bestanddelen van het strafbare feit, die in de twee staten (Oostenrijk en Roemenië) verschillend kunnen zijn?
4) Moet het ne-bis-in-idem-beginsel van artikel 54 SUO en artikel 50 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de strafvervolging van een verdachte in een lidstaat – in casu Roemenië – wanneer de strafvervolging van deze persoon in een andere lidstaat – in casu Oostenrijk – door het openbaar ministerie definitief is beëindigd en de zaak in Roemenië opnieuw wordt beoordeeld, waarbij de Roemeense hogere rechterlijke instantie in een voor de lagere rechterlijke instantie definitieve beslissing de grenzen van de nieuwe behandeling heeft bepaald en heeft vastgesteld dat het ne-bis-in-idem-beginsel niet van toepassing is, welke beslissing in strijd is met het Unierecht maar bindend is voor de lagere rechterlijke instantie? Kan de lagere rechterlijke instantie voorbijgaan aan een beslissing van een hogere rechterlijke instantie die in strijd is met het Unierecht en het ne-bis-in-idem-beginsel?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-147/22 Központi Nyomozó Főügyészség; C-617/10; C-436/04.
Specifiek beleidsterrein: JenV