C-613/22 Dublin 8 Residents Association 

Contentverzamelaar

Terug C-613/22 Dublin 8 Residents Association 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    15 november 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    1 januari 2023

Trefwoorden: milieu, vergunningen, ngo, rechtspersoonlijkheid, procesbevoegdheid

Onderwerp:

•            Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

•            Besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden

Feiten:

Verzoekster is een niet-gouvernementele milieuorganisatie (ngo) zonder rechtspersoonlijkheid die plaatselijke bewoners uit het Dublin 8-gebied vertegenwoordigt. Verzoekster betwist de rechtmatigheid van een besluit van het planbureau van 15-04-2021 waarbij een vergunning is verleend voor de bouw van 492 huurappartementen, 240 huurwooneenheden met gemeenschappelijke voorzieningen, een gemeenschapsruimte voor kunst, cultuur en tentoonstellingen, winkel-, café- en kantoorruimten, een crèche en bijbehorende werkzaamheden op een terrein aan South Circular Road, Dublin 8, alsmede voor de sloop van alle gebouwen op het terrein, met uitzondering van het oorspronkelijke gebouw van de voormalige Player Wills-fabriek. Het bij de rechtbank aanhangige geschil bevindt zich thans in de fase van de voorafgaande vraag of verzoekster ter zake de hoedanigheid en bevoegdheid heeft om de procedure in te leiden. De medegedagvaarde stelt dat verzoekster als vereniging zonder rechtspersoonlijkheid niet over deze hoedanigheid en bevoegdheid beschikt.

Overweging:

Met betrekking tot de eerste vraag stelt de verwijzende rechter dat artikel 11, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/92, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest en/of artikel 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, geen onderscheid maakt tussen procesbevoegdheid en bevoegdheid, en het kennelijk de bedoeling is dat een instantie die de toets van de richtlijn doorstaat, gerechtigd is om een procedure in te leiden. Of het nationale recht van een bepaalde lidstaat dit recht aanmerkt als een kwestie van procesbevoegdheid of bevoegdheid of als beide, doet niet ter zake. Een lidstaat toestaan om in zijn nationale recht belemmeringen op te werpen voor het inleiden van een procedure door een instantie die anders in aanmerking komt op grond van artikel 11, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/92, zou de doeltreffende en eenvormige toepassing van de richtlijn ondermijnen. Met betrekking tot de tweede en derde vraag benadrukt de verwijzende rechter dat de vaagheid en het ontbreken van een wettelijke definitie met betrekking tot de kwestie van procesbevoegdheid in het Ierse nationale recht niet in overeenstemming zijn met het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel in het kader van de tenuitvoerlegging van de richtlijn. De vierde vraag gaat over de vereiste bestaansduur van een ngo en of deze langer moet zijn dan de wettelijke termijn voor de beoordeling van een aanvraag.  De rechter is van mening dat nationale procedureregels die van toepassing zijn op procedures in het kader van richtlijn 2011/92 moeten voldoen aan het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel. De regel dat een ngo twaalf maanden moet hebben bestaan, voldoet aan geen van beide criteria. Met betrekking tot de laatste vragen stelt de rechter dat het vereiste rechtsmiddel doeltreffend moet zijn, en dat dit beginsel tot gevolg heeft dat een nationale rechter, teneinde het nationale recht uit te leggen op een manier die zoveel mogelijk verenigbaar is met het Unierecht en met het Verdrag van Aarhus, met inbegrip van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, een discretionaire bevoegdheid moet uitoefenen om een verzoeker in de plaats te stellen op om het even welke wijze die dat recht op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgt.  Indien nationale procedurevoorschriften zich tegen de indeplaatsstelling van een verzoeker zouden kunnen verzetten wanneer het beroep tijdig is ingesteld en de gronden ongewijzigd zijn gebleven, zou dit de uitoefening van de rechten van het Unierecht uiterst moeilijk maken, hetgeen in strijd zou zijn met het doeltreffendheidsbeginsel.

Prejudiciële vragen:

1) Heeft [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, tot gevolg dat een niet-gouvernementele milieuorganisatie die voldoet aan de in die bepaling gestelde voorwaarden voor procesbevoegdheid, moet worden geacht voldoende bevoegd te zijn om beroep in rechte in te stellen, ook al voorziet het nationale recht van de betrokken lidstaat in een algemene regel die eraan in de weg staat dat verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid een rechtsvordering instellen?

2) Indien [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, in algemene omstandigheden niet het in de eerste vraag genoemde gevolg heeft, heeft het dan dat gevolg in omstandigheden waarin het nationale recht van de betrokken lidstaat bepaalt dat een ngo die voldoet aan de in [artikel] 1, lid 2, onder e), van deze richtlijn gestelde voorwaarden voor procesbevoegdheid, daardoor bevoegd is om beroep in rechte in te stellen?

3) Indien [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, in algemene omstandigheden niet het in de eerste vraag genoemde gevolg heeft, heeft het dan dat gevolg in omstandigheden waarin het nationale recht van de betrokken lidstaat en/of de door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat vastgestelde procedures een niet-gouvernementele milieuorganisatie die overigens naar nationaal recht geen rechtsbevoegdheid zou hebben, in staat hebben gesteld om toch deel te nemen aan de administratieve fase van de bouwvergunningsprocedure?

4) Indien [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, in algemene omstandigheden niet het in de eerste vraag genoemde gevolg heeft, heeft het dan dat gevolg wanneer de in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde voorwaarden om als ngo in aanmerking te kunnen komen voor de toepassing van [artikel] 1, lid 2, onder e), zodanig zijn dat de vereiste bestaansduur van een ngo langer is dan de wettelijke termijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een bouwvergunning, zodat een ngo zonder rechtspersoonlijkheid die is opgericht naar aanleiding van een specifieke bouwaanvraag, normaliter nooit in aanmerking kan komen voor de toepassing van de wetgeving tot uitvoering van [artikel] 1, lid 2, onder e)?

5) Heeft [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in het licht van het rechtszekerheids- en/of het doeltreffendheidsbeginsel, en/of gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, tot gevolg dat een bij een bepaling van nationaal procesrecht van een lidstaat verleende discretionaire bevoegdheid die het mogelijk maakt dat een individuele verzoeker of individuele verzoekers die lid zijn van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, in de plaats worden gesteld van deze vereniging zelf, aldus moet worden uitgeoefend dat het recht op toegang tot een doeltreffende voorziening in rechte ten volle effect sorteert, zodat deze indeplaatsstelling niet kan worden uitgesloten louter op grond van een nationale rechtsregel inzake de beperking in de tijd van de mogelijkheid om de betrokken vordering in te stellen?

6) Indien [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in het licht van het rechtszekerheids- en/of het doeltreffendheidsbeginsel, en/of gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, in algemene omstandigheden niet het in de vijfde vraag genoemde gevolg heeft, heeft het dan dat gevolg, met name in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, in omstandigheden waarin het beroep door de oorspronkelijke verzoeker was ingesteld binnen de door het nationale recht vastgestelde termijn en waarin de betwistingsgronden waarop de in de plaats gestelde verzoeker het recht op toegang tot een rechtsmiddel heeft gebaseerd, ongewijzigd zijn gebleven?

7) Indien [artikel] 11, lid 1, onder a), van richtlijn [2011/92], gelezen in het licht van het rechtszekerheids- en/of het doeltreffendheidsbeginsel, en/of gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of [artikel] 9, leden 2 tot en met 4, van het Verdrag van Aarhus, zoals namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad, in algemene omstandigheden niet het in de vijfde vraag genoemde gevolg heeft, heeft het dan dat gevolg indien het nationale recht van de betrokken lidstaat met betrekking tot de toepassing van verjaringstermijnen in dergelijke situaties onduidelijk en/of tegenstrijdig is, zodat een verzoeker vóór het inleiden van de procedure geen rechtszekerheid heeft over de toelaatbaarheid van een dergelijke indeplaatsstelling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW