C-617/20 T.N. et N.N.

Contentverzamelaar

C-617/20 T.N. et N.N.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     8 maart 2021

Trefwoorden : erfrecht; erkenning

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring;

Feiten:

De erflater, die Nederlands staatsburger was, is op 21-05-2018 te Bremen overleden. Verzoekster is de weduwe van de erflater, en de appellanten zijn nakomelingen van de eerder overleden broer van de erflater. De bevoegde rechter in eerste aanleg te Bremen heeft de appellanten op 19-06-2019 ervan op de hoogte gesteld dat een verzoek om afgifte van een erfrechtverklaring was ingediend. Het gerecht verzocht daarbij om bepaalde nader beschreven akten te doen toekomen. Appellanten hadden reeds op 13-09-2019 bij de rechtbank Den Haag een verklaring van verwerping van de nalatenschap van de erflater afgelegd. Op 13-12-2019 hebben appellanten bij het gerecht (Nederlandse) kopieën ingediend van de akten die de rechtbank Den Haag had opgesteld. Het gerecht antwoordde daarop dat onvertaalde brieven en akten niet in behandeling konden worden genomen. Daarop heeft appellant in het Duits meegedeeld dat de nalatenschap was verworpen en dat de verklaring niet hoefde te worden vertaald daar zij overeenkomstig het Europees recht in het Nederlands bij een gerecht was geregistreerd. In zijn antwoord daarop verwees het gerecht naar de ontbrekende vertaling van de akten en de voor verwerping gestelde termijnen. Bij beslissing van 27-02-2020 stelde het gerecht de voor afgifte van de erfrechtverklaring vereiste feiten vast. Beide appellanten hebben deze beslissing aangevochten en verzochten om de termijn te verlengen. Vervolgens hebben zij op 30-07-2020 kleurkopieën overgelegd van de door de rechtbank Den Haag opgestelde akten en de vertaling daarvan. Nadat het gerecht er opnieuw op had gewezen dat de originele akten nog steeds ontbraken, zijn deze op 17-08-2020 bij dit gerecht ingekomen.

Overweging:

Bij beslissing van 02-09-2020 heeft het gerecht het beroep niet afgedaan en de verwijzende rechter verzocht om daarover uitspraak te doen. Het gerecht zette uiteen dat appellanten (mede-)erfgenamen van de erflater waren geworden omdat zij de termijn voor verwerping van de nalatenschap niet in acht hadden genomen. Bijgevolg moet de vraag of de verwerping tijdig heeft plaatsgevonden, ten gronde worden onderzocht.

Prejudiciële vragen:

1. Vervangt de verklaring van verwerping die een erfgenaam bij het gerecht van een lidstaat dat bevoegd is voor zijn gewone verblijfplaats, aflegt overeenkomstig de aldaar geldende vormvereisten, de verklaring van verwerping die moet worden afgelegd bij het gerecht van een andere lidstaat dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging bij versterf, in die mate dat zij rechtsgeldig wordt geacht vanaf het tijdstip waarop zij werd afgelegd (substitutie)?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:

Moet degene die een naar de vorm geldige verklaring van verwerping van nalatenschap heeft afgelegd bij het gerecht van zijn gewone verblijfplaats, om rechtsgeldig te verwerpen, ook het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging bij versterf, ervan in kennis te stellen dat hij deze verklaring heeft afgelegd?

3. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord en de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

a. Moet het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging bij versterf, worden aangezocht in de in zijn rechtsgebied toepasselijke taal om te kunnen spreken van een rechtsgeldige verklaring van verwerping, in het bijzonder om de in zijn rechtsgebied gestelde termijnen voor het afleggen van deze verklaring in acht te nemen?

b. Moeten de van een vertaling vergezelde originele akten in verband met de verwerping, die zijn opgesteld door het gerecht van [Or. 3] de gewone verblijfplaats van degene die de verklaring van verwerping heeft afgelegd, worden overgelegd aan het gerecht dat bevoegd is om uitspraak te doen over de erfopvolging bij versterf, om te kunnen spreken van een rechtsgeldige verklaring van verwerping, in het bijzonder om de in het rechtsgebied van het laatstgenoemde gerecht gestelde termijnen voor het afleggen van deze verklaring in acht te nemen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV