C-618/21 AR e.a.  

Contentverzamelaar

Terug C-618/21 AR e.a.  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    21 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    7 februari 2022

Trefwoorden : schadevergoeding, herstellingskosten, verzekering

Onderwerp :

Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid

Feiten:

Verzoekers vorderen de betaling van hypothetische herstellingskosten. Zij voeren aan dat de schadevergoeding, naargelang hun keuze, moet bestaan uit ofwel het verschil in waarde tussen het beschadigde en het niet-beschadigde voertuig; ofwel de door hen daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen; ofwel de door hen niet gemaakte kosten die zij hadden moeten dragen indien zij ervoor hadden gekozen het voertuig volledig te herstellen. Voorts zijn zij van mening dat de keuze volledig vrij is, zodat niets eraan in de weg staat dat schadevergoeding wordt gevorderd ten bedrage van de nog niet gemaakte herstellingskosten, hoewel zij helemaal niet van plan zijn deze kosten te maken, of zij ze niet kunnen dragen, wat ertoe zou leiden dat de totale waarde van hun vermogen ingevolge de schadevergoeding groter zou zijn dan vóór de schade. De verzekeringsondernemingen betogen in wezen dat de schadevergoeding niet hoger mag zijn dan de werkelijk geleden schade, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het vermogen zonder het ongeval en de werkelijke waarde van het vermogen van de benadeelde.

Overweging:

In het nationale recht bestaat er geen twijfel over het beginsel van volledige vergoeding van de schade. Volgens dit beginsel beoogt de schadevergoeding het vermogen van de benadeelde terug te brengen in de staat zoals het zou hebben bestaan indien de schade niet was opgetreden. het nationale recht staat de benadeelde ook toe om in plaats van een schadevergoeding het herstel in de vorige toestand te eisen. Het is van belang dat elk van de twee vormen van vergoeding waarin het Poolse recht voorziet, tot gevolg heeft dat het vermogen van de benadeelde wordt teruggebracht tot de waarde dat het zou hebben gehad indien de schade niet zou hebben bestaan, zonder dat de benadeelde zich kan verrijken. In Polen is echter rechtspraak ontstaan die in strijd is met de beginselen op grond waarvan de eigenaar van een voertuig dat buiten zijn schuld is beschadigd, van de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij de hypothetische kosten kan eisen die hij zou moeten dragen indien hij ervoor had gekozen het voertuig volledig te herstellen. Volgens deze rechtspraak is het van geen belang of de benadeelde zijn voertuig heeft hersteld of van plan is het te herstellen. Het is zelfs van geen belang of dit potentieel mogelijk is, want zelfs aan benadeelden die hun voertuig reeds hebben verkocht en dit dus hypothetisch niet kunnen herstellen, wordt een vergoeding toegekend ten bedrage van de hypothetische herstellingskosten, die aanzienlijk hoger is dan de door de differentiële methode bepaalde schade aan het vermogen van de benadeelde. Deze afwijking van de algemene beginselen van het schadevergoedingsrecht in een specifieke categorie van zaken leidt tot een aantal negatieve gevolgen waardoor de verwijzende rechter heeft besloten prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

1. [M]oet artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond hand waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die gebruikmaakt van een rechtstreekse vordering tot herstel van schade aan zijn voertuig naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die is ingesteld tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij, van de verzekeringsonderneming slechts schadevergoeding ten bedrage van het werkelijke en actuele vermogensverlies kan verkrijgen, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en de waarde van het beschadigde voertuig, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval, terwijl hij, indien hij het herstel van de schade rechtstreeks van de aansprakelijke persoon zou vorderen, van deze persoon, naar eigen keuze, in plaats van een schadevergoeding zou kunnen eisen dat het voertuig wordt teruggebracht in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade (herstelling door de aansprakelijke zelf of door een door hem betaalde garage)?

2. [I]ndien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die gebruikmaakt van een rechtstreekse vordering tot herstel van schade aan zijn voertuig naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen die is ingesteld tegen de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij, van de verzekeringsonderneming, in plaats van een schadevergoeding ten bedrage van het werkelijke en actuele vermogensverlies, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en de waarde van het beschadigde voertuig, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval, slechts een bedrag kan verkrijgen ter hoogte van de kosten om het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade, terwijl hij, indien hij het herstel van de schade rechtstreeks van de aansprakelijke persoon zou vorderen, van deze persoon, naar eigen keuze, in plaats van een schadevergoeding zou kunnen eisen dat het voertuig wordt teruggebracht in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade (en niet slechts het verstrekken van middelen met het oog daarop)?

3. [I]ndien vraag [1] bevestigend en vraag [2] ontkennend wordt beantwoord:

moet artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de verzekeringsonderneming waarbij de eigenaar van een voertuig dat is beschadigd naar aanleiding van deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen een verzoek heeft ingediend tot betaling van hypothetische kosten die hij niet heeft gedragen maar die hij had moeten dragen indien hij ervoor had gekozen het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ongeval, de mogelijkheid heeft:

a. deze betaling afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de persoon die materiële schade heeft geleden aannemelijk maakt dat hij werkelijk van plan is het voertuig op een bepaalde manier, bij een bepaalde monteur, tegen een bepaalde prijs voor de onderdelen en de dienst te herstellen, en om deze middelen rechtstreeks over te dragen aan die monteur (of aan de verkoper van de voor de herstelling benodigde onderdelen) onder voorbehoud van terugbetaling indien het doel waarvoor het geld is betaald, niet wordt bereikt; zo niet:

b. deze betaling afhankelijk te stellen van de verplichting van de consument om binnen de overeengekomen termijn aan te tonen dat hij de betaalde middelen heeft gebruikt voor de herstelling van het voertuig of om deze aan de verzekeringsonderneming terug te betalen; zo niet:

c. na betaling van die middelen met vermelding van het doel (de gebruikswijze) ervan en na het verstrijken van de tijd die de persoon die materiële schade heeft geleden, nodig heeft om het voertuig te laten herstellen, van hem te eisen dat hij aantoont hoe die middelen voor de herstelling zijn besteed, of dat hij ze terugbetaalt – om de mogelijkheid uit te sluiten dat de persoon die materiële schade heeft geleden door die schade verrijkt wordt?

4. [I]ndien vraag [1] bevestigend en vraag [2] ontkennend wordt beantwoord:

moet artikel 18 juncto artikel 3 van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een persoon die materiële schade heeft geleden en die geen eigenaar meer is van het beschadigde voertuig omdat hij het heeft verkocht en in ruil daarvoor geld heeft ontvangen en het dus niet meer kan herstellen, van de verzekeringsonderneming van de wettelijk aansprakelijke partij in dat verband geen betaling kan eisen van de herstellingskosten die nodig zouden zijn om het voertuig terug te brengen in de staat waarin het zich bevond vóór het ontstaan van de schade, en zijn vordering beperkt is tot vergoeding door de verzekeringsonderneming van het werkelijke en actuele vermogensverlies, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het voertuig in de staat vóór het ongeval en het bedrag dat de verkoop van het voertuig heeft opgeleverd, vermeerderd met de daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten om het voertuig te herstellen en andere daadwerkelijk gemaakte gerechtvaardigde kosten ten gevolge van het ongeval?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-300/10), KS (C-707/19)

Specifiek beleidsterrein: JenV, FIN