C-619/23  Ronos  

Contentverzamelaar

C-619/23  Ronos  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    5 december 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    21 januari 2024

Trefwoorden: mededinging, toegang correspondentie, inspectie

Onderwerp:

- Verdrag betreffende de Europese Unie: artikel 4, lid 2;

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie: artikelen 7 en 52; en

- Richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt: overwegingen 32 en 35, artikelen 3 en 6.

Feiten:

In 2022 heeft de verwerende partij, KZK, een procedure ingeleid tot vaststelling van een mogelijke inbreuk door verschillende ondernemingen in verband met een verboden overeenkomst en/of een onderling afgestemde feitelijke gedraging (kartel) die was bedoeld om de mededinging door manipulatie van aanbestedingsprocedures te belemmeren, te beperken of te verstoren. Na een inspectie is uitgevoerd bij een van de verzoekende partijen, „Ronos” OOD, is vastgesteld dat de inhoud van de in de Viber-app gevoerde correspondentie waarvan tevoren screenshots waren gemaakt, nagenoeg volledig was verwijderd. De KZK heeft vastgesteld dat de medewerkingsplicht is geschonden en het verwijderen van de inhoud van de chats (van de correspondentie) in de Viber-app, die was gekoppeld aan het telefoonnummer van de bestuurster, wordt aangemerkt als belemmering van de toegang tot elektronische en digitale bewijsmiddelen die essentieel zijn voor de procedure. Op basis daarvan zijn wegens de gepleegde inbreuk aan „Ronos” OOD en twee natuurlijke personen die bij de inspectie aanwezig waren (de overige verzoekers MA en TI) wegens deelname aan het plegen van de inbreuk geldboetes opgelegd. Aan het hoofdgeding liggen drie beroepen tegen het betrokken besluit van de KZK ten grondslag die door „Ronos” OOD, MA en TI zijn ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

Om te kunnen beoordelen of het verwijderen van de chat-inhoud in de Viber-app een belemmering vormt van de KZK bij de uitoefening van hun bevoegdheden, moet de verwijzende rechter nagaan of de toegang tot en de inzage van de correspondentie een rechtmatige uitoefening vormden van de bevoegdheden van de ambtenaren van de KZK bij de uitvoering van de inspectie. De verwijzende rechter houdt hierin rekening met de middelen waarin het Unierecht voorziet voor de afweging tussen het algemeen en het particuliere belang en die zijn bedoeld om het nuttig effect van de inspecties als onmisbaar instrument voor de uitvoering van de taken van de mededingingsautoriteiten te waarborgen. De verwijzende rechter stelt dat de grenzen van de afweging tussen het particuliere en openbare belang voortvloeien uit de geldende grondwettelijke bepalingen en, omdat de in het hoofdgeding toepasselijke wet deze grenzen niet eerbiedigt en daarom niet verenigbaar is met de Bulgaarse grondwet. Bijgevolg kan volgens de verwijzende rechter niet worden beoordeeld of een dergelijke bij wet voorziene beperking, ongeacht het algemeen, overheids- of andere hoger belang dat zij moet dienen, proportioneel en redelijk is. De verwijzende rechter stelt dat hij de voorrang van het Unierecht boven het nationale recht moet eerbiedigen, maar geen afbreuk moet doen aan de (in vergelijking met het Unierecht) sterkere waarborgen, waarin de Bulgaarse grondwet voor de bescherming van het recht van de burger op vrijheid en vertrouwelijkheid van de correspondentie voorziet. 

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 6 van richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018, gelezen in samenhang met artikel 3 van deze richtlijn, in het licht van artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het de bevoegdheden beperkt van een nationale mededingingsautoriteit om bij de uitvoering van een inspectie toegang te verkrijgen tot privécorrespondentie waarvan de onschendbaarheid in de grondwet van de lidstaat is gewaarborgd, wanneer de in de grondwet neergelegde redenen voor een beperking van het recht op vrijheid en vertrouwelijkheid van correspondentie, niet bestaan?

2) Moet artikel 6 van richtlijn (EU) 2019/1 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018, gelezen in samenhang met artikel 3 van deze richtlijn, in het licht van artikel 4, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een persoon die bij de uitvoering van een inspectie door de nationale mededingingsautoriteit wordt verzocht toegang te verlenen tot een informatiedrager, het recht heeft om de toegang tot inhoud die deel uitmaakt van zijn privécorrespondentie te weigeren op grond dat de onschendbaarheid van de privécorrespondentie in de grondwet van de lidstaat is gewaarborgd en de in de grondwet neergelegde redenen voor een beperking van het recht op vrijheid en vertrouwelijkheid van correspondentie en andere communicatie, niet bestaan?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: T-66/99; T-23/09 CNOP en CCG/Commissie; T-140/09; T-325/16 České dráhy/Commissie; T-255/17; C-682/20 P

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten