C-622/25 Krana 

Contentverzamelaar

C-622/25 Krana 

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     9 februari 2026

Trefwoorden: nietigheid overeenkomst, oneerlijke bedingen, wettelijke vertragingsrente, gelijkheid, evenredigheid, doeltreffendheid

Onderwerp: Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen: artikel 6, lid 1 en artikel 7, lid 1.

Verzoekende bank en verweerders (consumenten) hebben in 2007 een kredietovereenkomst gesloten. In 2019 werd de overeenkomst door de rechter nietig verklaard vanwege opgenomen oneerlijke bedingen. Na de nietigverklaring heeft de bank de verweerders verzocht om binnen één maand de tegenwaarde van de geleende hoofdsom terug te betalen. Nadat deze betaling langer op zich liet wachten, heeft de bank wettelijke vertragingsrente gevorderd van de verweerders. De Poolse rechter vraagt zich af of het kunnen vorderen van wettelijke vertragingsrente in het kader van een nietig verklaarde kredietovereenkomst niet in strijd is met artikel 6, lid 1 en artikel 7, lid 1 van richtlijn 93/13 en met het doeltreffendheidsbeginsel. 

Prejudiciële vraag: 
Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid en evenredigheid aldus worden uitgelegd dat zij, wanneer een door een ondernemer met een consument gesloten kredietovereenkomst wordt geacht in haar geheel nietig te zijn op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat zonder welke zij niet kan voortbestaan, in de weg staan aan nationale bepalingen op basis waarvan de ondernemer naast de terugbetaling van de tegenwaarde van de hoofdsom van het door hem uitgekeerde krediet tevens wettelijke vertragingsrente van de consument kan vorderen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-287/17 Česká pojišťovna; C-585/20 BFF Finance Iberia; C-406/21 A (Geen invordering van vertragingsrente); C-370/21 DOMUS-SOFTWARE; C-419/21 X (Levering van medisch materiaal); C-78/22 ALD Automotive; C-279/23 Skarb Państwa (Betalingsachterstand die niet-significant is of een geringe vordering betreft); C-327/20 New Media Development & Hotel Services; C-199/19 RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand); C-722/18 KROL; C-299/19 Techbau; C-520/21 Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst).

Specifiek beleidsterrein: EZ
 

Gerelateerde documenten