C-629/23 Eesti Suurkiskjad

Contentverzamelaar

C-629/23 Eesti Suurkiskjad

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    13 december 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    29 januari 2024

Trefwoorden: beoordeling van een gunstige staat van instandhouding

Onderwerp:  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn): Artikel 1, onder i), artikel 2, lid 3, en artikel 14, lid 1.

Feiten:

Het Estse bureau voor milieubescherming (KeA) heeft het jachtquotum voor grote carnivoren voor het jaar 2020/2021 in Estland bij besluit vastgesteld op 140 specimens. De verzoekende partij, een vereniging ter bescherming van carnivoren in Estland, vordert nietigverklaring van dit besluit omdat het van mening is dat de staat van instandhouding van de wolvenpopulatie in Estland ongunstig is. De Estse bestuursrechter heeft deze vordering afgewezen op de grond dat, gelet op de discretionaire bevoegdheid van het KeA, de rechter enkel kan beoordelen of bij de vaststelling van het quotum rekening is gehouden met alle relevante gegevens en of het niet willekeurig is vastgesteld. Het bestreden besluit voldeed aan deze toetsing. De verzoekende partij ging in beroep en verzocht om vernietiging van het vonnis van de bestuursrechter en om toewijzing van de vordering tot nietigverklaring van het besluit. Het hoger beroep werd verworpen, waarbij het dictum van het vonnis van de bestuursrechter ongewijzigd bleef maar de motivering van het vonnis gedeeltelijk werd vervangen. Volgens de rechter in hoger beroep mocht Estland bij de vaststelling van het quotum rekening houden met de door Polen, Litouwen en Letland genomen instandhoudingsmaatregelen. De verzoekende partij heeft cassatie ingesteld en verzoekt de verwijzende rechter om gedeeltelijke vernietiging van het arrest in hoger beroep en om toewijzing van de vordering.

Overweging:

De verwijzende rechter vraagt zich af of bij de vaststelling van de in artikel 14 van de habitatrichtlijn bedoelde maatregelen een gunstige staat van instandhouding moet worden behouden voor een regionale populatie van een soort in een bepaalde lidstaat, of dat rekening gehouden mag worden met de staat van instandhouding van de gehele populatie (in het geval van Estland is dat de Baltische populatie) op het grondgebied van de lidstaten. De verzoekende partij stelt dat de staat van instandhouding van de Baltische wolvenpopulatie als gunstig kan worden beschouwd maar dat hetzelfde niet geldt voor de Estse regionale wolvenpopulatie. Onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het Hof, stelt de verwijzende rechter de vraag van welk gebied moet worden uitgegaan wanneer artikel 14 van toepassing is of wanneer de staat van instandhouding van de populatie in verschillende gebieden verschillend is. De relevante richtsnoeren van de Europese Commissie uit 2008 erkennen enerzijds dat de staat van instandhouding van een populatie het nauwkeurigst kan worden beoordeeld door de populatie als geheel te evalueren, in plaats van de delen van de populatie binnen individuele nationale grenzen. De richtsnoeren wijzen er anderzijds erop dat de aanpak van de habitatrichtlijn formeel lidstaatspecifiek is. Indien de populatie op een bredere schaal beoordeeld dient te worden, suggereren de richtsnoeren dat een vorm van grensoverschrijdende samenwerking nodig is. De verwijzende rechter vraagt het Hof of in dat geval inderdaad een dergelijke samenwerking tussen de lidstaten is vereist. Indien ook de staat van instandhouding van de regionale populatie van een lidstaat gunstig moet zijn, vraagt de verwijzende rechter zich af hoe de habitatrichtlijn zich verhoudt tot de criteria van de Rode Lijst van de IUCN. Daarnaast vraagt de verwijzende rechter zich af of bij de vaststelling van de gunstige staat van instandhouding van een soort ook rekening kan worden gehouden met economische, sociale en culturele vereisten in de betreffende lidstaat. Volgens de verwijzende rechter lijkt de richtlijn deze vraag bevestigend te beantwoorden maar dienen economische en sociale overwegingen bij de keuze van maatregelen alleen in aanmerking te mogen worden genomen op voorwaarde dat de gunstige staat van instandhouding van de populatie is gewaarborgd en dat de vaststelling daarvan een zuiver wetenschappelijke beoordeling is die niet afhangt van dergelijke niet-milieuoverwegingen.

Prejudiciële vragen:

1) Moet artikel 14, lid 1, van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat het een verplichting oplegt om bij de vaststelling van de in die bepaling bedoelde maatregelen te zorgen voor een gunstige staat van instandhouding in de zin van artikel 1, onder i), voor een regionale populatie van een soort in een bepaalde lidstaat, of kan rekening worden gehouden met de staat van instandhouding van de gehele populatie op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie?

2) Indien rekening mag worden gehouden met de staat van instandhouding van de gehele populatie op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, moet de habitatrichtlijn dan aldus worden uitgelegd dat voor de instandhouding van deze populatie formele samenwerking vereist is tussen de lidstaten waartoe het verspreidingsgebied van de populatie zich uitstrekt, of volstaat het dat de lidstaat die de in artikel 14 van de habitatrichtlijn bedoelde maatregelen vaststelt, de situatie van de populatie van de soort in de andere betrokken lidstaten bepaalt of de voorwaarden daarvoor in een nationaal beheersplan vastlegt?

3) Kan artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat een regionale populatie van een soort die volgens de criteria van de Rode Lijst van de IUCN in de categorie „kwetsbaar” (VU) is ingedeeld, een gunstige staat van instandhouding in de zin van de habitatrichtlijn kan hebben?

4) Kan artikel 1, onder i), juncto artikel 2, lid 3, van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat bij de vaststelling van de gunstige staat van instandhouding van een soort ook rekening kan worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-217/19 Commissie/Finland; C-674/17 Luonnonsuojeluyhdistys; C-342/05 Commissie/Finland; C-127/02 Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging; C-371/98 First Corporate Shopping.

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten