C-633/20 Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände   

Contentverzamelaar

C-633/20 Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände   

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     29 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     15 maart 2021

Trefwoorden : verzekeringen; tussenpersoon

Onderwerp :

-           Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling;

-           Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking);

Feiten:

Verweerster draagt reclamebureaus op om consumenten tegen betaling een lidmaatschap van een ledencollectief aan te bieden. Dit lidmaatschap geeft recht op diverse prestaties bij ziekte of ongeval in het buitenland. Verweerster is contractueel verbonden met een vennootschap die met haar eigen medisch personeel en vliegtuig voor verweerster een deel van de verzekerde prestaties verricht. Verweerster heeft als verzekeringneemster bij een verzekeringsonderneming een groepsverzekering afgesloten, die de klanten van verweerster de dekking biedt van geneeskundige kosten in het buitenland alsook de dekking van repatriëringskosten. Noch verweerster noch de reclamebureaus, beschikken over een vergunning voor verzekeringsbemiddeling krachtens nationaal recht. Verzoeker stelt dat verweerster diensten op het gebied van verzekeringsbemiddeling verleent en dat zij daarvoor een vergunning nodig heeft. Daarom heeft hij beroep ingesteld en gevorderd verweerster te veroordelen tot staking van het (doen) aanbieden aan consumenten van een collectief van verzekerden zonder dat zij beschikt over de vereiste vergunning. Het Landgericht heeft de vordering toegewezen. In het door verweerster ingestelde hoger beroep heeft de appelrechter de vordering afgewezen. Hierop is beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

Voor het slagen van het beroep is het relevant of verweerster volgens nationaal recht een vergunning nodig heeft voor de bemiddeling tegen betaling van de door haar aan consumenten aangeboden aansluiting bij een groepsverzekering. Het antwoord op deze vraag hangt af van de uitlegging van artikel 2, punten 3 en 5, van richtlijn 2002/92 en van artikel 2(1) punten 1, 3 en 8, van richtlijn 2016/97. De vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden de verzekeringnemer van een groepsverzekering een verzekeringstussenpersoon kan zijn, blijkt niet zonder meer uit richtlijn 2002/92, de daarvoor in de plaats gekomen richtlijn 2016/97 en de desbetreffende rechtspraak van het Hof tot dusver.

Prejudiciële vraag:

Is een onderneming, die als verzekeringnemer voor haar klanten bij een verzekeringsonderneming een groepsverzekering heeft afgesloten voor de geneeskundige kosten in het buitenland alsmede de repatriëringskosten vanuit het binnen- en buitenland, die consumenten lidmaatschappen aanbiedt die recht geven op de verzekerde prestaties bij ziekte of ongeval in het buitenland, en die van de geworven leden een vergoeding voor de verworven dekking ontvangt, een verzekeringstussenpersoon in de zin van artikel 2, punten 3 en 5, van richtlijn 2002/92/EG en artikel 2, lid 1, punten 1, 3 en 8 van richtlijn (EU) 2016/97?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Länsförsäkringar Sak Försäkringsaktiebolag e.a., C-542/16; EEAE e. a., C-555/11;

Specifiek beleidsterrein: VWS