C-641/25 Leko

Contentverzamelaar

C-641/25 Leko

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     9 februari 2026

Trefwoorden: consumentenkredietovereenkomsten, oneerlijke bedingen, nietigheid kredietovereenkomst, vertragingsrente  

Onderwerp: Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid en evenredigheid: Artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1. 

Bank BPH S.A (hierna: verzoekster) heeft een kredietovereenkomst gesloten met een aantal kredietnemers (hierna: verweerders), geïndexeerd aan de Zwitserse frank (CHF). Verweerders stellen nadien dat de kredietovereenkomst nietig was, omdat de contractuele bedingen die de koppeling aan de wisselkoers van CHF regelden oneerlijk waren en de overeenkomst zonder deze bedingen niet kon voortbestaan. Verweerders vorderden bij de verwijzende rechter terugbetaling van de krediettermijnen vermeerderd met vertragingsrente als vergoeding voor onverschuldigde prestatie. Verzoekster is het hier niet mee eens en stelt een tegenvordering in de som van het kredietsom vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente, omdat de consumenten volgens vanaf de dag na betekening van het verzoekschrift verplicht waren die rente te betalen op grond van Poolse wetgeving. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de Poolse wetgeving die de bank het recht geeft om wettelijke vertragingsrente te vorderen, verenigbaar is met het Unierecht.

Prejudiciële vragen: 
1. Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en de beginselen van doeltreffendheid, gelijkwaardigheid en evenredigheid aldus worden uitgelegd dat zij, wanneer een door een verkoper met een consument gesloten kredietovereenkomst wordt geacht in haar geheel nietig te zijn op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat zonder welke zij niet kan voortbestaan, in de weg staan aan nationale bepalingen op basis waarvan de verkoper naast de terugbetaling van de tegenwaarde van de hoofdsom van het door hem uitgekeerde krediet tevens wettelijke vertragingsrente van de consument kan vorderen? 
2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: staan de in die vraag genoemde bepalingen en beginselen van het Unierecht in de weg aan een nationale wettelijke regeling op basis waarvan de verkoper tevens vertragingsrente van de consument kan vorderen over de periode vóór de datum van de definitieve rechterlijke uitspraak waarbij de nietigheid van de kredietovereenkomst is vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-287/17 Česká pojišťovna; C-585/20 BFF Finance Iberia; C-406/21 A (Geen invordering van vertragingsrente); C-370/21 DOMUS-Software; C-419/21 X (Levering van medisch materiaal); C-78/22 ALD Automotive; C-279/23 Skarb Państwa (Betalingsachterstand die niet-significant is of een geringe vordering betreft); C-327/20 New Media Development & Hotel Services; C-199/19 RL (Richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand); C-722/18 KROL; C-299/19 Techbau; C-520/21 Bank M. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst); C-488/23 ; C-154/15, C-307/15 en C-308/15 ; C-140/22 mBank (Verklaring van de consument); C-348/23 BNP Paribas Bank Polska; C-28/22 Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling). 

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZ

Gerelateerde documenten