C-643/23 Agenciart – Management Artistico 

Contentverzamelaar

C-643/23 Agenciart – Management Artistico 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 december 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    13 februari 2024

Trefwoorden: handelstransactie, agentuurovereenkomst, onderneming

Onderwerp:  Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties: overwegingen 5 en 10, en artikel 2, punten 1 en 3.

Feiten:

De verzoekende partij ‘Agenciart- Manangement Artístico, Sociedade Unipessoal, Lda’ (hierna: agentschap), is een handelsvennootschap die actief is op het gebied van de vertegenwoordiging van artiesten. ‘CT’, verwerende partij, oefent het beroep van actrice uit en heeft met het agentschap een agentuurovereenkomst gesloten, welke op 30 juni 2017 is verlopen. Het agentschap heeft CT geholpen om te onderhandelen over een overeenkomst voor het spelen in een soapserie, waartoe er een factuur is gestuurd naar CT voor de verrichte agentuurdiensten, op 17 juli 2019. CT heeft deze factuur niet betaald, en het agentschap heeft uiteindelijk het bedrag onder executoriale titel ten uitvoer laten leggen. Verweerster heeft zich hier tegen verzet, op grond van onder meer de nietigheid van de betekening in de betalingsbevelprocedure. Volgens het agentschap is de agentuurverhouding die door middel van de agentuurovereenkomst tot stand is gekomen, een handelstransactie in de zin van artikel 3, onder b), van wetsbesluit nr. 62/2013. Volgens het agentschap wordt aan de voorwaarden uit dit artikel voldaan, en de executoriale titel is daarom geldig. CT is daarentegen van mening dat de betalingsbevelprocedure niet-ontvankelijk is omdat de overeenkomst waaruit de verplichting tot betaling van het bedrag voortvloeit niet onder het begrip ‘handelstransactie’ valt.

Overweging:

Het geschil draait met name om de vraag of moet worden aangenomen dat is voldaan aan het objectieve vereiste van het bestaan van een ‘handelstransactie’ en aan het subjectieve vereiste van de hoedanigheid van ‘onderneming’, zoals gedefinieerd in artikel 3, onder respectievelijk b) en d), van wetsbesluit nr. 62/2013. De verwijzende rechter is van mening dat het gaat om een ‘handelstransactie’, maar twijfelt over of beide partijen onder de definitie van ‘onderneming’ vallen. De definitie van ‘onderneming’ staat in artikel 2, punt 3, richtlijn 2011/7/EU. Hieruit wordt afgeleid dat een organisatie moet handelen in het kader van ‘haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit’. Het is de vraag of CT hier ook onder valt, omdat ze heeft aangevoerd het beroep van actrice uit te oefenen, zonder te beschikken over een georganiseerde middelenstructuur. Hierdoor heeft de verwijzende rechter vragen over wat er moet worden verstaan onder het handelen ‘als organisatie’ en onder ‘gestructureerde uitoefening’ van deze activiteit, wat voorwaarden waren voor het uitoefenen van de activiteit van het beroep van een ambachtsman, zo blijkt uit het arrest Nemec. Het is de verwijzende rechter niet duidelijk of deze overwegingen in casu toegepast kunnen worden.

Prejudiciële vraag:

Moet een natuurlijke persoon die gewoonlijk als zelfstandige het beroep van actrice uitoefent tegen een geldelijke vergoeding, maar die niet beschikt over een georganiseerde middelenstructuur (aangezien zij die activiteit uitoefent zonder over een eigen bedrijfsruimte, personeel, gereedschappen of uitrusting die verband houden met haar beroepsactiviteit te beschikken) worden aangemerkt als een „onderneming” in de zin en voor de doeleinden van overweging 5 en artikel 2, punt 3, van richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-256/15 Nemec

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten