C-652/23 pro medico Handel

Contentverzamelaar

C-652/23 pro medico Handel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    26 december 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    12 februari 2024

Trefwoorden: voedselveiligheid, grenswaarde, levensmiddelen

Onderwerp:  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden: artikel 14, lid 2, onder b), artikel 14, lid 5, artikel 14, lid 3, onder b).

Feiten:

Op 23 mei 2022 heeft de verwerende partij, de burgemeester van de stad Graz, bij besluit tegen verzoekende partij, pro medico Handels GmbH, verboden om het levensmiddel ‘Zink-Zinkcitrat’ in de handel te brengen, omdat het middel onveilig is verklaard. Deze beslissing is gebaseerd op het advies van de Oostenrijkse Agentschap voor gezondheid en voedselveiligheid GmbH, waarin staat dat een capsule ‘Zink-Zinkcitrat’ meer milligram zink bevat dan door de Oostenrijkse levensmiddelenwet was toegestaan (37 milligram per capsule ten opzichte van 15 milligram per dag). Daarnaast overschrijdt het product de grenswaarde van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (hierna: EFTA), welke een aanvaardbare bovengrens van 25 milligram per dag heeft vastgesteld voor zink. Volgens de verzoekende partij ‘pro medico’ is er geen sprake van een algemeen geldende vastgestelde maximumhoeveelheid van vitamines en mineralen in voedingssupplementen binnen Europa. Daarnaast wordt de voedselveiligheid gegarandeerd door de waarschuwingen op de label met betrekking tot het gebruik van het voedingssupplement.

Overweging:

Op grond van artikel 14, lid 1, van verordening nr. 178/2002 mogen levensmiddelen die onveilig zijn niet in de handel worden gebracht. De verwijzende rechter wil verduidelijking over wanneer er sprake is van de in artikel 14, lid 4, genoemde redenen wanneer het levensmiddel voor menselijke consumptie onaanvaardbaar is geworden en daarmee ongeschikt in de zin van artikel 14, lid 2, onder b), in samenhang met artikel 14, lid 5 van de verordening. Volgens artikel 14, lid 5, wordt bij de beoordeling of een levensmiddel ongeschikt is ‘bezien’ of een levensmiddel onaanvaardbaar is voor de menselijke consumptie, gelet op onder andere het gebruik waarvoor het levensmiddel is bestemd. De onduidelijkheid is ontstaan door de bewoordingen uit artikel 14, lid 5, waaruit de verwerende partij concludeert dat de in de bepaling aangevoerde omstandigheden niet definitief bepalen of een levensmiddel ongeschikt is voor consumptie, zodat ook andere omstandigheden aan de feiten van artikel 14, lid 5 kunnen voldoen. De verwijzende rechter twijfelt of er naast de in artikel 14, lid 5, genoemde redenen ook andere redenen zijn op grond waarvan een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie. Tenslotte stelt de verwijzende rechter een vraag over of de grenswaarde opgesteld door de EFTA bindend is.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 14, lid 2, onder b), gelezen in samenhang met artikel 14, lid 5, van verordening nr. 178/2002 aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling of een interpretatie van een lidstaat die inhoudt dat levensmiddelen als ongeschikt voor menselijke consumptie moeten worden beschouwd wanneer de beoogde bruikbaarheid ervan niet gewaarborgd is, zonder dat er sprake hoeft te zijn van de in artikel 14, lid 5, van verordening nr. 178/2002 genoemde redenen waarom een levensmiddel onaanvaardbaar is geworden voor menselijke consumptie (als gevolg van verontreiniging door vreemd materiaal of anderszins, of door verrotting, kwaliteitsverlies of bederf)?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: Moet artikel 14, lid 2, onder b), gelezen in samenhang met artikel 14, lid 5, van verordening nr. 178/2002 aldus worden uitgelegd dat ervan moet worden uitgegaan dat een levensmiddel ongeschikt is voor menselijke consumptie wanneer het levensmiddel bij de beoogde consumptie tot een (duidelijke) overschrijding leidt van een waarde die door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid in het kader van de beoordeling van een in het levensmiddel opgenomen mineraal wordt beschouwd als de aanvaardbare bovengrens voor de dagelijkse inname (Tolerable Upper Intake Level – UL)?

3. Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: Is de door de EFSA vastgestelde grenswaarde voor zink bindend of is een zekere overschrijding van de grenswaarde toegestaan wanneer krachtens artikel 14, lid 3, onder b), van verordening nr. 178/2002 op het product aanwijzingen worden aangebracht dat het alleen geschikt is voor een bepaalde kring personen, dat verder geen aanvullende zinkhoudende preparaten mogen worden ingenomen en dat de inname in de tijd moet worden beperkt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-836/19

Specifiek beleidsterrein: VWS, LNV

Gerelateerde documenten