C-652/25 Blueberry   

Contentverzamelaar

C-652/25 Blueberry   

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     31 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     17 februari 2026

Trefwoorden: pensioengerechtigde leeftijd, rechtszekerheid, gewettigd vertrouwen

Onderwerp: VEU: artikel 19, lid 1; Handvest: artikel 47; Richtlijn 2000/78 (gelijke behandeling in arbeid en beroep): artikel 2, en artikel 6, lid 1.

Poolse rechters kunnen sinds 2013 of op 67 jarige leeftijd met pensioen gaan, of met 70 jaar wanneer zij hiervoor een medisch attest hebben. Bij de hervormingen van het Poolse rechtssysteem in 2016 en 2017 is er een wijziging ingevoerd voor een lagere pensioensleeftijd van 65 jaar, en is toestemming vereist van de KRS (de nationale raad voor de rechtspraak die volgens de verwijzende rechter afhankelijk is van de politieke macht). De verwijzende rechter vraagt het Hof of deze regelingen toelaatbaar zijn in het licht van art. 19, lid 1 VEU en art. 47 Handvest, en naar de toepasbaarheid op de zittende rechters in het licht van de rechtszekerheid en het gewettigd vertrouwen.

Prejudiciële vragen: 
1) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 2 VEU, en artikel 2 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (hierna: „richtlijn 2000/78”), gelezen in samenhang met de artikelen 21 en 47 van het Handvest, en artikel 47 van het Handvest aldus worden uitgelegd dat wanneer rechters van de gewone rechterlijke instanties van een lidstaat volgens het recht van die lidstaat van rechtswege met pensioen gaan op de leeftijd van 67 jaar of, indien binnen de gestelde termijn een daartoe strekkende verklaring en een medisch attest worden overgelegd, op de leeftijd van 70 jaar, die bepalingen zich verzetten tegen de toepassing – op rechters die reeds in actieve dienst waren toen deze regeling van kracht was en behoudens de uitzonderingen die voortvloeien uit het beginsel van rechtszekerheid, wanneer een dergelijke rechter op basis daarvan heeft gehandeld – van de nationale regeling die vervolgens is ingevoerd, op grond waarvan de pensioenleeftijd is verlaagd tot 65 jaar en er voor de verhoging van die leeftijd tot 70 jaar aanvullende voorwaarden zijn gesteld, te weten het verkrijgen van toestemming van de minister van Justitie en, nadat het Hof had geoordeeld dat een dergelijke voorwaarde in strijd was met artikel 19, lid 1, onder b), VEU (zaak C-192/18), het verkrijgen van toestemming van een orgaan als de nationale raad voor de rechtspraak, waarbij (a) dit orgaan volgens de rechtspraak van het Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet onafhankelijk is, (b) de rechter geen rechtsmiddel heeft bij een rechter die een effectieve rechterlijke bescherming waarborgt, (c) de voorwaarden voor het verlenen van toestemming vaag, dubbelzinnig en niet verifieerbaar zijn, waardoor het orgaan op discretionaire wijze kan handelen, (d) de door het orgaan opgestelde motivering in de praktijk niet verduidelijkt op welke wijze die voorwaarden moeten worden toegepast en (e) de verlaging van de pensioenleeftijd gepaard is gegaan met een wijziging, zoals hierboven bedoeld, van de regeling voor de verlenging van de actieve diensttijd, die in de ogen van de justitiabelen redelijke twijfel doet rijzen over de ongevoeligheid van een gewone rechter voor externe factoren en zijn neutraliteit ten aanzien van de hem voorgelegde belangen, en deze verlaging, in het licht van genoemde wijziging, niet evenredig is aan enig legitiem doel? 

2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest en artikel 2 VEU, en artikel 47 van het Handvest, dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing op een rechter van een gewone rechterlijke instantie van een nationale regeling die voor de verhoging van de pensioenleeftijd tot 70 jaar een aanvullende voorwaarde stelt, te weten het verkrijgen van toestemming van een orgaan als de nationale raad voor de rechtspraak, in een situatie waarin die regeling de in de punten a tot en met d van de eerste vraag genoemde kenmerken heeft? 

3) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, moeten de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen dan aldus worden begrepen dat, indien een rechter de verklaring en het attest met het oog op de verhoging van de pensioenleeftijd tot 70 jaar heeft ingediend binnen de relevante wettelijke termijn, berekend vanaf de datum van pensionering die is vastgesteld in de nationale regeling die in strijd is met het Unierecht (dat wil zeggen 65 jaar in plaats van 67 jaar), deze termijn moet worden geacht te zijn nageleefd? 

4) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest en artikel 2 VEU, en artikel 2 en artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78, gelezen in samenhang met de artikelen 21 en artikel 47 van het Handvest, en artikel 47 van het Handvest dan aldus worden uitgelegd dat wanneer rechters van de gewone rechterlijke instanties van een lidstaat volgens het recht van die lidstaat van rechtswege met pensioen gaan op de leeftijd van 67 jaar of, indien binnen de gestelde termijn een daartoe strekkende verklaring en een medisch attest worden overgelegd, op de leeftijd van 70 jaar, die bepalingen zich verzetten tegen de toepassing van een later ingevoerde nationale regeling die voor de verhoging van de pensioenleeftijd tot 70 jaar een aanvullende voorwaarde stelt, te weten het verkrijgen van toestemming van een orgaan als de nationale raad voor de rechtspraak, waarbij (a) dit orgaan volgens de rechtspraak van het EHRM niet onafhankelijk is, (b) de rechter geen rechtsmiddel heeft bij een rechter die een effectieve rechterlijke bescherming waarborgt, (c) de voorwaarden voor het verlenen van toestemming vaag, dubbelzinnig en niet verifieerbaar zijn, waardoor het orgaan op discretionaire wijze kan handelen, (d) de door het orgaan opgestelde motivering in de praktijk niet verduidelijkt op welke wijze die voorwaarden moeten worden toegepast, en (e) bovengenoemd aanvullend criterium in de plaats is gekomen van het criterium van het verkrijgen van toestemming van de minister van Justitie, waarvan de invoering gepaard ging met een verlaging van de pensioenleeftijd van 67 naar 65 jaar en dat door het Hof reeds in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, EVRM werd geacht? 

5) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 47 van het Handvest, de artikelen 2 en 4, lid 3, VEU en de beginselen van voorrang van het Unierecht en van effectieve rechterlijke toetsing, in het licht van het arrest van het Hof van 13 maart 2007 in zaak C-432/05, Unibet, aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie die is samengesteld uit een rechter als bedoeld in de eerste of de vierde vraag, bevoegd is om de toepassing van een in die vragen genoemde bepaling van nationaal recht, die erin voorziet dat hij op pensioen wordt gesteld, ambtshalve te schorsen en om zowel in de onderhavige zaak als in andere zaken uitspraak te blijven doen totdat het Hof de gestelde vraag heeft beantwoord, indien deze rechterlijke instantie dit nodig acht om de bij haar aanhangige zaak te beslechten in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van het Unierecht? 
6) Moeten de in de eerste en de vierde vraag genoemde bepalingen en beginselen aldus worden uitgelegd dat wanneer het Hof een van deze vragen bevestigend beantwoordt, de daarin genoemde bepalingen van nationaal recht die voorzien in de pensionering van een rechter, niet mogen worden toegepast en de rechter niet op pensioen wordt gesteld, tenzij daarvoor een andere rechtsgrondslag bestaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-192/18 Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties); C-718/21 Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter); C-225/22, AW T; C-646/23 en C-661/23 Lita en Jeszek.

Specifiek beleidsterrein: JenV; SZW

Gerelateerde documenten