C-657/25 Petikov
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 5 november 2025 Schriftelijke opmerkingen: 22 december 2025
Trefwoorden: smokkel, legaliteitsbeginsel, doeltreffende voorziening in rechte
Onderwerp: Verordening 952/2013 (Douanewetboek): artikelen 42, 69, 70, 74 en 83; Handvest: artikelen 47 en 49.
Verdachte PL vervoerde geneesmiddelen vanuit Turkije naar Bulgarije, zonder deze aan te geven bij de douane. Hij werd betrapt bij een grenscontrole. In deze zaak draait het om de vraag of hij een strafbaar feit heeft begaan (met zware straffen als gevolg), of dat het gaat om een bestuursrechtelijke overtreding. De verwijzende rechter zet zijn vraagtekens bij het bestandsdeel in de delictsomschrijving van smokkel, volgens welke de goederen een ‘hoge waarde’ moeten hebben om te kwalificeren als een strafbaar feit. Daarbij is het de vraag hoe deze waarde berekend moet worden, en of dat bijvoorbeeld mag op basis van de vastgestelde douanewaarde. Daarnaast vraagt de rechter het Hof of deze term, die niet verder wordt gedefinieerd in de wet, strijd oplevert met het legaliteitsbeginsel en met artikel 49 Handvest.
Prejudiciële vragen: 1. Is verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie van toepassing op overtredingen van de douanewetgeving die volgens het nationale recht strafbare feiten vormen, in het bijzonder op het gebied van sancties in verband met de smokkel van goederen, welke smokkel afhankelijk van de waarde en de wijze waarop deze waarde wordt bepaald [volgens het douanewetboek op basis van de overeenkomstig de artikelen 70 en 74 van de verordening vastgestelde douanewaarde bij invoer of, overeenkomstig de rechtspraak over de toepassing van artikel 242, lid 1, onder e), van de Nakazatelen kodeks (wetboek van strafrecht), op basis van de marktprijzen die door een deskundigenrapport worden vastgesteld] een bestuursrechtelijke overtreding in de zin van artikel 233 van de douanewet of een strafbaar feit in de zin van artikel 242, lid 1, onder e), van het wetboek van strafrecht kan vormen?
2. Is het op grond van artikel 83, lid 3, en artikel 69 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad toegestaan om de waarde van goederen, die het voorwerp van een overtreding van de douanewetgeving zijn, aan de hand van andere criteria dan die van de artikelen 70 en 74 van de verordening te bepalen en is in dit verband een nationale regeling, zoals artikel 242, lid 1, onder e), van het wetboek van strafrecht toelaatbaar die als bestanddeel van het strafbare feit van gekwalificeerde smokkel het criterium „grote waarde” als enig onderscheidend criterium tussen de bestuursrechtelijke overtreding in de zin van artikel 233, lid 1, van de douanewet, waarvoor een geldboete ter hoogte van een percentage van de douanewaarde van de goederen, die op basis van de in de artikelen 70 en 74 verordening bedoelde methoden wordt vastgesteld, bij de invoer kan worden opgelegd, en het strafbare feit in de zin van artikel 242, lid 1, onder e), van het wetboek van strafrecht, waarvoor een vrijheidsstraf en een geldboete kan worden opgelegd, bevat, waarbij er voor dit criterium („grote waarde”) geen definitie in de wet bestaat en de betekenis ervan in het uitleggingsarrest nr. 1 van de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken) van 30 oktober 1998 in zaak nr. 1/98 van de algemene vergadering van de strafkamer (OSNK) is vastgelegd, waaruit volgt dat „grote waarde” inhoudt dat de geldwaarde van het voorwerp van een strafbaar feit zeventig keer hoger is dan het nationale minimumloon, waarbij de vaststelling van de geldwaarde in marktprijzen niet op normatieve of andere objectieve maatstaven berust, maar door een deskundige plaatsvindt, en wordt daardoor het recht van de verdachte op een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijk proces in de zin van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het in artikel 49 van het Handvest neergelegde legaliteitsbeginsel voor strafbare feiten en straffen geschonden, omdat de definitie van het criterium „grote waarde”, waardoor een bestuursrechtelijke overtreding van de douanewetgeving een strafbaar feit wordt, niet in de wet heeft plaatsgevonden, maar in een uitleggingsarrest van de Varhoven kasatsionen sad, dat niet [in het staatsblad] is gepubliceerd?
3. Is krachtens artikel 42, lid 1, van verordening nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een normatieve regeling zoals in artikel 242, lid 1, onder e), van het wetboek van strafrecht toegestaan, waarin een overtreding van de douanewetgeving als strafbaar feit wordt gekwalificeerd op grond van het criterium „grote waarde”, dat niet in de wet is gedefinieerd en waarvan de betekenis door de rechtspraak – uitleggingsarrest nr. 1 van de Varhoven kasatsionen sad van 30 oktober 1998 – wordt ingevuld, en wordt bij gebreke van een verduidelijking van het gekwalificeerde bestanddeel van de overtreding in de wet, het dwingende vereiste van de evenredigheid van de straf en het strafbare feit alsook het legaliteitsbeginsel in verband met strafbare feiten en straffen geschonden door een straf voor een strafbaar feit op te leggen dat niet duidelijk in de wet is omschreven en door voor een essentieel bestanddeel van het strafbare feit in strijd met het beginsel nullum crimen, nulla poena sine lege naar de rechtspraak te verwijzen?
4. Moet het in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde algemene legaliteitsbeginsel in verband met strafbare feiten en straffen aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 242, lid 7, van het wetboek van strafrecht, waarin is bepaald dat, wanneer het voorwerp van de smokkel niet voorhanden is of vervreemd is, de confiscatie van de equivalente waarde ervan overeenkomstig de nationale detailhandelsprijzen wordt gelast, ook al bestaan er na het einde van de planeconomie en de invoering van marktbeginselen in de economie van het land geen door de staat vastgestelde prijzen voor goederen (met uitzondering van sigaretten), zodat er geen grondslag voor de vaststelling van deze gelijkwaardigheid is op basis waarvan de kwantitatieve criteria „grote waarde” en „zeer grote waarde” worden berekend, die van invloed zijn op de kwalificatie van de smokkel als bestuursrechtelijke overtreding van de douanewetgeving dan wel als strafbaar feit en op de aard en hoogte van de sancties? Mag in dergelijke gevallen de overeenkomstig de artikelen 70 en 74 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde douanewaarde van goederen als basis voor het vaststellen van de gelijkwaardigheid worden gebruikt, omdat deze het begrip „nationale detailhandelsprijzen” het dichtst benadert, en mag in de aldus opgestelde wettelijke formulering worden uitgegaan van de marktprijs van de goederen die door een gerechtelijk economisch deskundigenonderzoek is vastgesteld?
5. Moet het beginsel van de evenredigheid van sancties met de overtreding van de douanewetgeving van de Unie, zoals dit in artikel 42, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie over de evenredigheid van strafbare feiten en straffen, en in het kader van het [arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 december 2024, SISTEM LUX (C-717/22 en C-372/23, EU:C:2024:1041), punten 52 en 53] is neergelegd, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 242, lid 1, onder e), van het wetboek van strafrecht, op grond waarvan de dader die voldoet aan het bestanddeel van gekwalificeerde smokkel van goederen of voorwerpen met een grote waarde voor commerciële doeleinden, met twee zware cumulatieve vrijheidsstraffen tussen drie en tien jaar en een geldboete van 20 000 tot en met 100 000 BGN wordt gestraft, waarbij tegelijkertijd het gesmokkelde voorwerp, ongeacht wiens eigendom het is, op grond van artikel 242, lid 7, van het wetboek van strafrecht ten gunste van de staat wordt geconfisqueerd en wanneer het niet voorhanden is of vervreemd is, de confiscatie van de equivalente waarde (van dit voorwerp) wordt gelast?
6. Moet het beginsel van de evenredigheid van sancties met de overtreding van de douanewetgeving van de Unie, zoals dit in artikel 42, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad, gelezen in samenhang met artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie over de evenredigheid van strafbare feiten en straffen, en in het kader van het [arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 december 2024, SISTEM LUX (C-717/22 en C-372/23, EU:C:2024:1041), punten 52 en 53] is neergelegd, aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die van artikel 233, leden 1 en 2, van de douanewet, waarin voor gewone (niet-gekwalificeerde) gevallen van douanesmokkel is bepaald dat de overtreder wordt gestraft met een geldboete van 100 tot 200 % van de douanewaarde van de goederen of, in geval van uitvoer, van de waarde van de goederen, waarbij tegelijkertijd de douanesmokkelgoederen krachtens artikel 233, lid 6, van de douanewet ten gunste van de staat, ongeacht wiens eigendom zij zijn, worden geconfisqueerd en indien zij niet voorhanden zijn of vervreemd zijn, de confiscatie van de equivalente waarde wordt gelast die gelijk is aan de douanewaarde ervan of, in geval van uitvoer, aan de waarde van de goederen?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-717/22 en C-372/23 Sistem Lux.
Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN-fiscaal