C-660/23 Intervlees

Contentverzamelaar

C-660/23 Intervlees

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    28 december 2023
Schriftelijke opmerkingen:                    14 februari 2024

Trefwoorden: voedselveiligheid

Onderwerp:

-             Artikelen 26 tot en met 37 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

-             Verordening (EG) nr. 853/2004 van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong;

-             Verordening (EG) nr. 558/2010 van 24 juni 2010 tot wijziging van bijlage III bij Verordening 853/2004: considerans 4.

Feiten:

Verzoekende partij Intervlees NV (hierna: Intervlees) is een importeur en exporteur van vleeswaren. De verwerende partij ‘SUMP & STAMMER GmbH’ (hierna: verweerder) is een groothandelaar in voedingswaren. Intervlees en verweerder sloten een overeenkomst voor het leveren van ‘ex chilled’ vlees. Hiertoe leverde Intervlees de afgesproken partij vlees aan verweerder, welke het vlees doorverkocht aan een Duitse onderneming die deel uitmaakt van een Italiaanse onderneming. De Italiaanse autoriteiten hebben deze levering geweigerd, omdat deze levering volgens hen niet voldeed aan de sanitaire normen van Verordening nr. 853/2004, hoofdstuk VII, punt 4. ‘Ex chilled’ vlees wordt niet onmiddellijk na een stabilisatieperiode ingevroren, maar pas na koeling met het oog op rijping. Hierdoor kan het vlees volgens de Italiaanse autoriteiten niet bestemd worden voor de Europese markt. Verweerder heeft de overeenkomst ontbonden en geweigerd de navolgende leveringen van ‘ex chilled’ vlees af te nemen. Beide partijen vorderen vervolgens betaling wegens schade tegen elkaar.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de uitleg van het begrip ‘stabilisatieperiode’, welke volgt uit bijlage III, sectie 1, hoofdstuk VII, punt 4 van Verordening 853/2004. Uit deze overweging blijkt dat vlees dat bestemd is om te worden ingevroren, onmiddellijk moet worden ingevroren, ‘zo nodig na een stabilisatieperiode’. Uit considerans 9 van de verordening blijkt dat de verordening tot doel heeft om een hoog niveau van bescherming aan de consument te bieden op het gebied van voedselveiligheid. Het begrip ‘stabilisatieperiode’ wordt niet in de verordening 853/2004 uitgelegd, en ook niet in andere relevante Unierechtelijke regelgeving. Het is de verwijzende rechter daarom niet duidelijk of de stabilisatieperiode alleen betrekking heeft op de korte periode na de slachting waarin het vlees wordt gekoeld, of ook op de daaropvolgende koelingsperiode welke noodzakelijk is voor verdere rijping. In het licht van de doelstelling van voedselveiligheid lijkt het de verwijzende rechter te beargumenteren dat de stabilisatieperiode uitsluitend doelt op de korte koelingsperiode na slachting die noodzakelijk is om een pH- en thermische stabilisatie te bereiken. Nederlandse en Italiaanse autoriteiten blijken echter tegengestelde standpunten in te nemen op dit gebied, waardoor de uitleg van het begrip ‘stabilisatieperiode’ niet zo evident is dat hier redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan.

Prejudiciële vraag:

Dient het bepaalde in bijlage III, sectie I, hoofdstuk VII, aanhef en punt 4, bij Verordening nr. 853/2004 aldus te worden uitgelegd dat de stabilisatieperiode enkel betrekking heeft op de korte periode na slachting waarin het vlees gekoeld wordt om de vereiste pH- en thermische stabilisatie te bereiken, zodat voor invriezing bestemd vlees onverwijld daarna moet worden ingevroren, en dat zij dus geen betrekking heeft op de daaropvolgende koelingsperiode om het vlees verder te laten rijpen, zodat voor invriezing bestemd vlees na rijping niet meer kan worden ingevroren?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:  C-98/18

Specifiek beleidsterrein: LNV