C-660/25 Bentrac Fuvar    

Contentverzamelaar

C-660/25 Bentrac Fuvar    

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     8 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     24 januari 2026

Trefwoorden: rechterlijke bevoegdheid, wederzijdse prestaties, erkenning tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Onderwerp: Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Brussel I bis-verordening”): Artikel 7, punt, 1.

Verzoekster is een Hongaarse verhuurbedrijf in vrachtwagens, bouwmachines en andere materiële activa. Verweerster is een Slowaaks mijnbouwbedrijf. In 2023 sloten partijen een huurovereenkomst voor de verhuur van vrachtwagens en graafmachines, die door verweerster voor mijnbouwactiviteiten in Slowakije werden gebruikt. De huurovereenkomst en de documenten met betrekking tot de naleving van de prestaties zijn in Hongarije opgesteld, en de huur moest worden betaald op de Hongaarse bankrekening van verzoekster. Omdat verweerster de huur niet betaalde, vordert verzoekster betaling bij de Hongaarse rechter. Verweerster betwist dit en stelt dat de uitvoering van de huurovereenkomst in Slowakije plaatsvindt, waardoor de Hongaarse rechter niet bevoegd is. De rechter in eerste aanleg volgt dit oordeel, maar de rechter in tweede aanleg oordeelt dat enkel de geldelijke tegenprestatie in de onderhavige zaak relevant is, en dat die in Hongarije moest worden verricht, zodat de Hongaarse rechter bevoegd is. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg van artikel 7, lid 1 van Brussel I bis-verordening bij de bepaling van de plaats van uitvoering bij wederzijdse prestaties. 

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Brussel I bis-verordening”) aldus worden uitgelegd dat de plaats van uitvoering van elk van de wederzijdse prestaties afzonderlijk rechterlijke bevoegdheid doet ontstaan indien de vordering van de eiser slechts strekt tot uitvoering van de hem toekomende prestatie?
2. Indien de wederzijdse prestaties in het kader van de overeenkomst tussen partijen afzonderlijk moeten worden onderzocht, moet artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening dan aldus worden uitgelegd dat de plaats van uitvoering van de gevorderde geldelijke tegenprestatie rechterlijke bevoegdheid doet ontstaan, ongeacht de specifieke kenmerken van de overeenkomst?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-393/22 EXTÉRIA. 

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten