C-663/21 Bundesamt fur Fremdenwesen und Asyl

Contentverzamelaar

C-663/21 Bundesamt fur Fremdenwesen und Asyl

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    10 februari 2022

Trefwoorden : vluchtelingenstatus, strafbare feiten, terugkeerbesluit

Onderwerp :

-           Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (kwalificatierichtlijn)

-           Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (terugkeerrichtlijn)

Feiten:

De medebetrokkene, A, is in 1989 in Damascus (Syrië) geboren en heeft tot augustus 2014 in Syrië gewoond. Op 10-12-2014 is hij illegaal Oostenrijk binnengekomen en heeft hij diezelfde dag nog internationale bescherming aangevraagd op grond van het AsylG 2005. Hij beweerde staatloos te zijn en de Palestijnse nationaliteit te bezitten. De verzoekende partij tot Revision, het Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl, heeft het verzoek van A bij ingewilligd en heeft verklaard dat hem de vluchtelingenstatus werd verleend en dat werd vastgesteld dat hij van rechtswege recht had op deze status. Tijdens zijn verblijf in Oostenrijk pleegde A meerdere strafbare feiten waarvoor hij werd veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van een jaar en drie maanden. Ten gevolge hiervan heeft het Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl op 28-03-2019 een procedure voor de intrekking van de aan A verleende vluchtelingenstatus ingeleid. Bij besluit van 24-09-2019 heeft het Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl verklaard dat de aan A verleende vluchtelingenstatus werd ingetrokken en dat werd vastgesteld dat hij niet langer van rechtswege recht had op de vluchtelingenstatus. Tegelijkertijd werd verklaard dat aan A niet de subsidiairebeschermingsstatus werd verleend, dat hem niet ambtshalve om in aanmerking te nemen redenen een verblijfsvergunning werd verleend, dat tegen hem een terugkeerbesluit werd uitgevaardigd, dat hem een inreisverbod voor de duur van acht jaar werd opgelegd en dat de termijn voor zijn vrijwillig vertrek werd vastgesteld op 14 dagen vanaf de datum waarop het terugkeerbesluit onaantastbaar zou worden. Daarnaast werd in dat besluit verklaard dat het niet was toegestaan om A terug te zenden, te verwijderen (of) uit te zetten naar Syrië. A heeft hiertegen beroep ingesteld voor het Bundesverwaltungsgericht welke weer is ingetrokken. In de motivering van zijn beslissing heeft het Bundesverwaltungsgericht uiteengezet dat de vluchtelingenstatus van een vreemdeling ambtshalve bij besluit moet worden ingetrokken indien er aan vier voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de vreemdeling een bijzonder ernstig misdrijf hebben gepleegd, ten tweede moet hij daarvoor onherroepelijk zijn veroordeeld, ten derde moet hij een gevaar opleveren voor de samenleving en ten vierde moeten de met de beëindiging van zijn verblijf gemoeide openbare belangen zwaarder wegen dan zijn belangen bij de voortzetting van de bescherming door de staat van toevlucht. Wat de vierde voorwaarde betreft, heeft die rechter uiteengezet dat moet worden afgewogen of de belangen van de staat van toevlucht zwaarder wegen dan die van de vluchteling.

Overweging:

Uit de uiteenzetting van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) blijkt dat alleen in de Oostenrijkse rechtspraak een belangenafweging wordt verricht bij de toepassing van de nationale bepaling die is vastgesteld ter omzetting van artikel 14, lid 4, van de kwalificatierichtlijn, hetgeen er niet alleen toe kan leiden dat aan een vreemdeling die een strafbaar feit heeft begaan, (nationale) bescherming tegen verwijdering wordt verleend, maar ook dat de vluchtelingenstatus hem niet mag worden ontzegd of ontnomen. Verder is in het Oostenrijkse recht bepaald dat tegen een vreemdeling die wegens strafbare feiten niet of niet langer in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus, ook een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd wanneer zijn verwijdering voor onbepaalde tijd niet is toegestaan. In dit verband heeft de Oostenrijkse wetgever in de voorbereidende stukken verklaard dat in richtlijn 2011/95/EU niets wordt gezegd over de vraag of tegen vreemdelingen aan wie de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus moet worden ontnomen of ontzegd, een verblijfsbeëindigende maatregel mag worden uitgevaardigd. Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat  het met zowel het doel van de terugkeerrichtlijn als de bewoordingen van artikel 6 van die richtlijn in strijd zou zijn om het bestaan van een intermediaire status te dulden van derdelanders die zich zonder verblijfsrecht en zonder verblijfstitel op het grondgebied van een lidstaat bevinden, maar ten aanzien van wie geen geldig terugkeerbesluit meer bestaat. Deze overwegingen gelden ook voor derdelanders die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven en niet kunnen worden verwijderd omdat het non-refoulementbeginsel zich daartegen verzet. Uit artikel 9, lid 1, onder a), van de terugkeerrichtlijn volgt dat deze omstandigheid niet rechtvaardigt dat tegen een derdelander in een dergelijke situatie geen terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, maar enkel dat zijn verwijdering ter uitvoering van dat besluit wordt opgeschort Indien echter, zoals in het onderhavige geval, vanaf het begin duidelijk is dat een terugkeerbesluit voor onbepaalde tijd niet ten uitvoer kan worden gelegd, kan niet worden gesproken van de uitvaardiging van een „effectief” terugkeerbesluit, zodat ook artikel 9, lid 1, onder a), van de terugkeerrichtlijn slechts betrekking lijkt te hebben op situaties waarin kan worden aangenomen dat het beletsel voor de verwijdering binnen afzienbare tijd zal ophouden te bestaan.

Prejudiciële vragen:

1. Moet bij de beoordeling of de eerder door de bevoegde autoriteit aan een persoon verleende vluchtelingenstatus mag worden ingetrokken om de reden die wordt genoemd in artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking), een belangenafweging worden verricht die een zelfstandig criterium vormt en inhoudt dat het voor de intrekking noodzakelijk is dat de met de verwijdering van de betrokkene gemoeide openbare belangen zwaarder wegen dan de belangen die de vluchteling heeft bij de voortzetting van de bescherming door de staat van toevlucht, met dien verstande dat de laakbaarheid van een misdrijf en het potentiële gevaar voor de samenleving moeten worden afgewogen tegen de beschermingsbelangen van de vreemdeling, waarbij de omvang en de aard van de voor hem dreigende maatregelen in aanmerking moeten worden genomen?

2. Staan de bepalingen van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, met name de artikelen 5, 6 en 8 alsook artikel 9, lid 1, in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan tegen een derdelander aan wie het eerdere verblijfsrecht als vluchteling wordt ontnomen ten gevolge van de intrekking van de vluchtelingenstatus, ook een terugkeerbesluit moet worden uitgevaardigd wanneer reeds ten tijde van de uitvaardiging van dat besluit vaststaat dat de verwijdering van de betrokkene voor onbepaalde tijd ontoelaatbaar is wegens het verbod op refoulement, hetgeen tevens bij onherroepelijke beslissing wordt vastgesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: B en D (C-57/09 en C-101/09), Bundesrepublik Deutschland (C-901/19), Westerwaldkreis, (C-546/19), Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (C 441/19),

Specifiek beleidsterrein: JenV-DMB