C-666/23 C-667/23 en C-668/23 Volkswagen

Contentverzamelaar

C-666/23 C-667/23 en C-668/23 Volkswagen

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak , en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:  15 januari 2024
Schriftelijke opmerkingen:                  29 februari 2024

Trefwoorden: schadevergoeding, voertuig, manipulatie-instrument

Onderwerp:

-             Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie—en onderhoudsinformatie: artikel 5, lid 2;

-             Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn): artikelen 18, lid 1, 26, lid 1 en 46.

Feiten:

C-666/23

Deze zaak heeft vijf verzoekende partijen EL, CM, BT, JF en DS . De verwerende partij is Volkswagen AG (hierna: Volkswagen). De vijf verzoekende partijen zijn niet identiek, maar verschillen slechts door nuances van elkaar. De verzoekende partijen zijn van mening dat hen opzettelijk en in strijd met de goede zeden schade is toegebracht door de koop van een ‘VW T6 Multivan Comfortline 2.0 TDI’ en ‘VW Golf 2.0 TDI’, welke auto’s zijn verkocht door Volkswagen. Bij het gebruik van deze voertuigen wordt de uitlaatgasrecirculatie buiten een zogenoemd thermovenster van de lagere buitentemperaturen gereduceerd. Tijdens het gebruik van de auto buiten het thermovenster is er hierdoor een hogere uitstoot van NOx (stikstofoxide). Volgens verzoekende partijen is het thermovenster een verboden manipulatie-instrument. Deze waren aanwezig bij de koop van de auto’s bij vier van de vijf partijen, bij de andere partij werd deze vermoed aanwezig te zijn na het installeren van een update. De verzoekende partijen vorderen betaling tot schadevergoeding.

C-667/23 en C-668/23

Deze zaken bevat gelijksoortige feiten als C-666/23. Het verschil ziet op het type auto dat gekocht is door de verwerende partijen. Bij deze aankopen waren ook thermovensters aanwezig. De verzoekende partijen zijn van ook mening dat hen opzettelijk en in strijd met de goede zeden schade is toegebracht.

Overweging:

C-666/23

Volgens Duitse rechtspraak is de dwaling van de fabrikant die specifiek betrekking heeft op een manipulatie-instrument onvermijdelijk. De verwijzende rechter heeft hier zijn twijfels bij, omdat het Unierecht het verbod van manipulatie-instrument regelt. Derhalve rijst onder meer de vraag wat de vereisten van het Unierecht zijn met betrekking tot de subjectieve voorwaarden voor een recht op schadevergoeding van de koper van het voertuig jegens de fabrikant wegens schending van artikel 18, lid 1, artikel 26, lid 1, en artikel 46 van richtlijn 2007/46/EG, alsmede artikel 5, lid 2, van verordening nr. 715/2007. Tevens heeft de verwijzende rechter twijfels over de EG-typegoedkeuring en of dit het vertrouwen van een fabrikant moet rechtvaardigen.

C-667/23

In deze zaak stelt de verwijzende rechter overeenkomstige vragen als de rechter in de eerste en derde prejudiciële vragen van C-666/23.

C-668/23

De gestelde vragen komen overeen met de prejudiciële vragen gesteld in C-666/23.

Prejudiciële vragen C-666/23

1. Kan de vordering tot schadevergoeding van de koper van het voertuig jegens de fabrikant wegens nalatigheid bij het in de handel brengen van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 worden afgewezen op grond:

a) dat er sprake is van een onvermijdelijke rechtsdwaling van de fabrikant?

Zo ja:

b) dat de rechtsdwaling voor de fabrikant van het voertuig onvermijdelijk is omdat de voor de EG-typegoedkeuring of voor daarop aansluitende maatregelen verantwoordelijke autoriteit het geïnstalleerde manipulatie-instrument daadwerkelijk heeft goedgekeurd?

Zo ja:

c) dat de rechtsdwaling voor de fabrikant van het voertuig onvermijdelijk is omdat de rechtsopvatting van de fabrikant over artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 zou zijn bevestigd door de voor de EG-typegoedkeuring of voor daarop aansluitende maatregelen verantwoordelijke autoriteit indien navraag was gedaan (hypothetische goedkeuring)?

2. Dient de fabrikant van het voertuig die een software-update heeft uitgevoerd, de eigenaar van het voertuig schadevergoeding te betalen indien deze schade lijdt ten gevolge van een bij de software-update geïnstalleerd verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007?

3. Is het met het Unierecht verenigbaar dat, wat betreft de vordering tot schadevergoeding jegens de fabrikant van het voertuig wegens nalatigheid bij het in de handel brengen van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007,

a) in verband met het recht van de koper van het voertuig op de zogenoemde kleine schadevergoeding het bedrag van de schadevergoeding wordt verminderd met de voordelen die de koper heeft van het gebruik van het voertuig, voor zover deze voordelen samen met de restwaarde hoger zijn dan de betaalde koopprijs minus dat bedrag van de schadevergoeding?

b) het recht van de koper van het voertuig op de zogenoemde kleine schadevergoeding ten hoogste 15 % van de betaalde koopprijs bedraagt?

Prejudiciële vragen C-667/23

1. Kan de vordering tot schadevergoeding van de koper van het voertuig jegens de fabrikant wegens nalatigheid bij het in de handel brengen van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 worden afgewezen op grond:

a) dat er sprake is van een onvermijdelijke rechtsdwaling van de fabrikant?

Zo ja:

b) dat de rechtsdwaling voor de fabrikant van het voertuig onvermijdelijk is omdat de voor de EG-typegoedkeuring of voor daarop aansluitende maatregelen verantwoordelijke autoriteit het geïnstalleerde manipulatie-instrument daadwerkelijk heeft goedgekeurd?

Zo ja:

c) dat de rechtsdwaling voor de fabrikant van het voertuig onvermijdelijk is omdat de rechtsopvatting van de fabrikant over artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 zou zijn bevestigd door de voor de EG-typegoedkeuring of voor daarop aansluitende maatregelen verantwoordelijke autoriteit indien navraag was gedaan (hypothetische goedkeuring)?

2. Is het met het Unierecht verenigbaar dat, wat betreft de vordering tot schadevergoeding jegens de fabrikant van het voertuig wegens nalatigheid bij het in de handel brengen van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007,

a) in verband met het recht van de koper van het voertuig op de zogenoemde kleine schadevergoeding het bedrag van de schadevergoeding wordt verminderd met de voordelen die de koper heeft gehad van het gebruik van het voertuig, wanneer deze voordelen samen met de restwaarde hoger zijn dan de betaalde koopprijs minus dat bedrag van de schadevergoeding?

b) het recht van de koper van het voertuig op de zogenoemde kleine schadevergoeding ten hoogste 15 % van de betaalde koopprijs bedraagt?

Prejudiciële vragen C-668/23

1. Kan de vordering tot schadevergoeding van de koper van het voertuig jegens de fabrikant wegens nalatigheid bij het in de handel brengen van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 worden afgewezen op grond:

a) dat er sprake is van een onvermijdelijke rechtsdwaling van de fabrikant?

Zo ja:

b) dat de rechtsdwaling voor de fabrikant van het voertuig onvermijdelijk is omdat de voor de EG-typegoedkeuring of voor daarop aansluitende maatregelen verantwoordelijke autoriteit het geïnstalleerde manipulatie-instrument daadwerkelijk heeft goedgekeurd?

Zo ja:

c) dat de rechtsdwaling voor de fabrikant van het voertuig onvermijdelijk is omdat de rechtsopvatting van de fabrikant over artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 zou zijn bevestigd door de voor de EG-typegoedkeuring of voor daarop aansluitende maatregelen verantwoordelijke autoriteit indien navraag was gedaan (hypothetische goedkeuring)?

2. Dient de fabrikant van het voertuig die een software-update heeft uitgevoerd, de koper van het voertuig schadevergoeding te betalen indien bij de aankoop van het voertuig een bij de software-update geïnstalleerd verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007 aanwezig is en de koper van het voertuig hierdoor schade lijdt?

3. Is het met het Unierecht verenigbaar dat, wat betreft de vordering tot schadevergoeding jegens de fabrikant van het voertuig wegens nalatigheid bij het in de handel brengen van een voertuig met een verboden manipulatie-instrument in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening (EG) nr. 715/2007,

a) in verband met het recht van de koper van het voertuig op de zogenoemde kleine schadevergoeding het bedrag van de schadevergoeding wordt verminderd met de voordelen die de koper heeft van het gebruik van het voertuig, voor zover deze voordelen samen met de restwaarde hoger zijn dan de betaalde koopprijs minus dat bedrag van de schadevergoeding?

b) het recht van de koper van het voertuig op de zogenoemde kleine schadevergoeding ten hoogste 15 % van de betaalde koopprijs bedraagt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-100/21 Mercedes-Benz Group; C-177/88; C-314/09 ; C-568/08; C-681/11.

Specifiek beleidsterrein: EZK en IenW