C-671/25 Konya  

Contentverzamelaar

C-671/25 Konya  

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 december 2025
Schriftelijke opmerkingen:                     9 februari 2026

Trefwoorden: zoekjaarvergunning, tijdelijk verblijf, studierichtlijn, gezinsherenigingrichtlijn 

Onderwerp: Richtlijn 2003/109 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen: Artikel 3, lid 2, aanhef e, artikel 4; Richtlijn 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten: Artikel 4; Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging. 

Eiseres is een professioneel  violist die van 1 september 2014 tot 20 augustus 2020 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd had door haar studie aan de conservatorium, waarna zij een zoekjaarvergunning kreeg. Vervolgens beschikte zij vanaf 26 april 2021 over een verblijfsvergunning door het verblijf bij haar partner op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Op 31 december 2021 vroeg zij een EU-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene aan. De minister van AenM telde het zoekjaar niet mee voor de vereiste vijf jaar, omdat dit volgens hem verblijf van tijdelijke aard is. Eiseres betwist dit: het zoekjaar is juist bedoeld om duurzaam verblijf via werk mogelijk te maken. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg van het begrip “verblijf uitsluitend om redenen van tijdelijke aard” en hoe een zoekjaarvergunning daarbij moet worden gewaardeerd.

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn langdurig ingezetenen zo worden uitgelegd dat het verblijf op grond van een zogenaamde zoekjaarvergunning op grond van artikel 25 van de Studierichtlijn niet is aan te merken als verblijf uitsluitend om redenen van tijdelijke aard zoals bedoeld in eerstgenoemde bepaling? 

2. Moet artikel 4 van de Richtlijn langdurig ingezetenen zo worden uitgelegd dat het verblijf op grond van een zoekjaarvergunning in volle omvang meetelt voor het volmaken van de vijfjaar? Of is er aanleiding om het verblijf slechts voor de helft mee te tellen zoals in het geval van een verblijfsvergunning in verband met een studie of een beroepsopleiding? 

3. Is voor het antwoord op de eerste en tweede vraag nog relevant of de derdelander feitelijk reeds in het bezit is gesteld van eerst een opvolgend Unierechtelijk verblijfsrecht op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn en vervolgens een nationaal rechtelijk verblijfsrecht voor onbepaalde tijd dat niet uitsluitend om redenen van tijdelijke aard is?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-502/10 Singh; C-624/20 E.K.; C-302/18 X. 


Specifiek beleidsterrein: AenM
 

Gerelateerde documenten