C-682/15 Berlioz Investment Fund

Contentverzamelaar

Terug C-682/15 Berlioz Investment Fund

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   15 februari 2016
Concept schriftelijke opmerkingen:       01 maart 2016
Schriftelijke opmerkingen:                   01 april 2016
Trefwoorden: administratieve samenwerking op belastinggebied; handvest grondrechten (toegang tot de rechter)

Onderwerp
- EVRM artikel 6 en Handvest artikel 47 (toegang tot de rechter); handvest artikel 51 en 52 (toepassingsgebied en reikwijdte);
- VEU artikel 4 (loyale samenwerking);
- Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799/EEG

Verzoekster is de moedermaatschappij (naar LUX recht) van een FRA dochter Cofima die, met vrijstelling van bronheffing, dividend aan verzoekster uitkeert. FRA fiscus doet op 03-12-2014 bij LUX fiscus navraag ter controle of aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan. LUXaut legt op 16-03-2015 aan verzoekster diverse vragen voor (bestuurszetel, gegevens vennoten, huur kantoorruimte, lijst werknemers, aantal deelnemingen, voor hoeveel staan de aandelen van Cofima op de balans, en dergelijke). Verzoekster heeft daarop geantwoord dat zij de gevraagde informatie gaat verstrekken, met uitzondering van NAW-gegevens van de vennoten, het bedrag van de aandelen en het participatiepercentage van elke vennoot, aangezien zij verwacht dat deze niet van belang zijn (in de zin van RL 2011/16) om FRAaut in staat te stellen het onderzoek voort te zetten. Na een vergeefse aanmaning op 22-04-2015 om de ontbrekende gegevens te verstrekken legt LUXaut verzoekster op 18-05-2015 een administratieve boete op. Tegen dat besluit gaat verzoekster 18-06-2015 in beroep waar de boete wordt verlaagd maar voor het overige wordt de uitspraak gehandhaafd. Verzoekster gaat op 31-08-2015 in hoger beroep bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende LUX rechter (Administratief Hof) benadrukt verzoekster dat de vrijstelling niet is gebaseerd op de FRA wet maar op het arrest C-170/05 Denkavit en de op grond daarvan door de FRAaut gegeven instructies. Zij stelt dat het door de LUX rechter toegepaste verbod op rechterlijke toetsing van het bevel tot het verstrekken van inlichtingen in strijd is met EVRM artikel 6. Verzoekster verwijt FRAaut een ‘fishing expedition’ omdat de door haar niet verstrekte informatie niet van belang zou zijn voor het op te lossen probleem, maar het criterium ‘naar verwachting van belang’ van RL 2011/16 schendt. Ook verwijt zij de FRAaut niet eerst in eigen huis te hebben gekeken door vragen aan Cofima te stellen. LUX geeft aan dat sinds 2008 verschillende wetswijzigingen zijn doorgevoerd, waaronder per 25-11-2014 afschaffing van het recht om beroep in te stellen tegen het verstrekken van inlichtingen, teneinde de reputatie en de continuïteit van LUX als financieel centrum te behouden. Hij wijst op arresten Akerberg en Melloni. LUX heeft middels een verklaring zich ertoe verbonden om de beginselen van de OESO inzake uitwisseling van inlichtingen, in het bijzonder het bankgeheim, na te leven. De wet van 25-11-2014 beoogt onder meer de voor de uitwisseling van inlichtingen benodigde samenhang van het belastingstelsel in LUX te verzekeren. In deze zaak wordt die wet voor het eerst getoetst aan het EUrecht. De verwijzende rechter voorziet dat een aanzienlijk aantal vergelijkbare zaken zullen worden aangebracht en vraagt het HvJ de zaak volgens de versnelde procedure af te handelen, welk verzoek is afgewezen. De aan het HvJEU voorgelegde vragen luiden als volgt:
1) Brengt een lidstaat het Unierecht ten uitvoer en wordt daardoor het Handvest overeenkomstig artikel 51, lid 1, ervan van toepassing in een situatie als in casu wanneer hij een bestuurde een administratieve geldboete oplegt als sanctie wegens niet-nakoming van diens verplichtingen tot samenwerking die voortvloeien uit een bevel tot het verstrekken van inlichtingen dat de bevoegde nationale autoriteit van die lidstaat heeft uitgevaardigd op basis van internrechtelijke procedureregels die daartoe zijn vastgesteld in het kader van de uitvoering, door deze lidstaat als aangezochte staat, van een verzoek om inlichtingen van een andere lidstaat op grond van met name de bepalingen van richtlijn 2011/16 met betrekking tot de uitwisseling van inlichtingen op verzoek?
2) Zo komt vast te staan dat het Handvest in casu van toepassing is, kan een bestuurde zich dan beroepen op artikel 47 van het Handvest wanneer naar zijn mening de jegens hem vastgestelde administratieve geldboete ertoe strekt hem te verplichten inlichtingen te verstrekken in het kader van de uitvoering, door de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat waarvan hij een ingezetene is, van een verzoek om inlichtingen van een andere lidstaat waarvan het fiscale doeleinde geenszins wordt verantwoord zodat in casu een wettig doeleinde ontbreekt, en waarmee wordt beoogd inlichtingen te verkrijgen die naar verwachting niet van belang zijn voor de betrokken belastingheffing?
3) Zo komt vast te staan dat het Handvest in casu van toepassing is, vereist het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op toegang tot een onpartijdig gerecht, zonder dat ingevolge artikel 52, lid 1, van het Handvest beperkingen kunnen worden gesteld, dan dat de bevoegde nationale rechter volle rechtsmacht heeft en dus de bevoegdheid om minstens via een exceptie de geldigheid te toetsen van een bevel tot het verstrekken van inlichtingen dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat heeft uitgevaardigd ter uitvoering van een met name krachtens richtlijn 2011/16 door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat gedaan verzoek om uitwisseling van inlichtingen, in het kader van een beroep dat de derde-bezitter van de inlichtingen, zijnde de adressaat van dat bevel tot het verstrekken van inlichtingen, heeft ingesteld tegen een beslissing tot vaststelling van een administratieve geldboete wegens niet-nakoming, door deze rechtszoekende, van zijn verplichting tot samenwerking in het kader van de uitvoering van dat verzoek?
4) Zo komt vast te staan dat het Handvest in casu van toepassing is, moeten de artikelen 1, lid 1, en 5 van richtlijn 2011/16, gelet op enerzijds de parallellie met het uit het OESO-model van belastingverdrag inzake inkomen en vermogen voortvloeiende criterium dat de gevraagde inlichtingen naar verwachting van belang zijn, en anderzijds het in artikel 4 VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, in samenhang met de doelstelling van richtlijn 2011/16, dan aldus worden uitgelegd dat het criterium dat de door een lidstaat aan een andere lidstaat gevraagde inlichtingen naar verwachting van belang zijn voor de bedoelde belastingheffing en de daarin opgegeven fiscale doelstelling, een voorwaarde vormt waaraan het verzoek om inlichtingen moet voldoen opdat voor de bevoegde autoriteit van de aangezochte staat de verplichting ontstaat om aan dat verzoek gevolg te geven en opdat een jegens een derde-bezitter uitgevaardigd bevel tot het verstrekken van inlichtingen gerechtvaardigd is?
5) Zo komt vast te staan dat het Handvest in casu van toepassing is, moeten de artikelen 1, lid 1, en 5 van richtlijn 2011/16 alsmede artikel 47 van het Handvest dan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een wettelijke bepaling van een lidstaat waarbij de toetsing, door de bevoegde nationale autoriteit als autoriteit van de aangezochte staat, van de geldigheid van een verzoek om inlichtingen op algemene wijze wordt beperkt tot een toetsing van de formele regelmatigheid, en dat zij de nationale rechter verplichten om in het kader van een bij hem ingesteld beroep in rechte zoals in de derde vraag hierboven omschreven, na te gaan of aan de voorwaarde dat de gevraagde inlichtingen naar verwachting van belang zijn is voldaan op alle punten die betrekking hebben op het verband dat bestaat met de betrokken belastingheffing, het aangevoerde fiscale doeleinde en de eerbiediging van artikel 17 van richtlijn 2011/16?
6) Zo komt vast te staan dat het Handvest in casu van toepassing is, verzet artikel 47, lid 2, van het Handvest zich dan tegen een wettelijke bepaling van een lidstaat volgens welke het niet mogelijk is om het door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat gedane verzoek om inlichtingen aan de bevoegde nationale rechter van de aangezochte lidstaat voor te leggen in het kader van een bij hem ingesteld beroep in rechte zoals in de derde vraag hierboven omschreven, en vereist artikel 47, lid 2, van het Handvest dat dit document aan de bevoegde nationale rechter wordt overgelegd en de derde-bezitter daartoe toegang wordt verleend, of dat dit document aan de nationale rechter wordt overgelegd zonder dat de derde-bezitter toegang krijgt wegens de vertrouwelijkheid van dat document onder de voorwaarde dat alle moeilijkheden die de derde-bezitter ondervindt als gevolg van een beperking van zijn rechten toereikend worden gecompenseerd door de voor de bevoegde nationale rechter gevolgde procedure?
Aangehaalde jurisprudentie: C-170/05 Denkavit; C-617/10 Akerberg Franson; C-399/11 Melloni; C-198/13 Hernandez
Specifiek beleidsterrein: FIN en VenJ

Gerelateerde documenten