C-687/25 Eolicas Mare Nostrum

Contentverzamelaar

C-687/25 Eolicas Mare Nostrum

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     23 maart 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     9 mei 2026

Trefwoorden: milieueffectbeoordeling, beginsel van doeltreffende voorziening in rechte, recht van verdediging, beginsel van behoorlijk bestuur

Onderwerp: Handvest: artikelen 41 en 47; Richtlijn 2011/92 betreffende de milieueffectenbeoordeling: artikel 6, lid 3 en artikel 8; Richtlijn 2018/2001 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen: artikelen 2, 15 en 16.

In deze zaak heeft verzoeker een vergunningsaanvraag ingediend bij de territoriale dienst voor industrie, Energie en Mijnbouw van een vergunningsinstantie, voor de bouw van een fotovoltaïsche centrale. De vergunningsinstantie heeft de milieueffectbeoordelingdienst (SEIA) gevraagd om een beoordeling. SEIA verzocht de vergunningsinstantie om ontbrekende documenten, maar de vergunningsinstantie liet het na om deze tijdig aan te leveren. Hierop werd de beoordelingsprocedure door SEIA beëindigd. De Spaanse rechter vraagt zich af of de nationale regel, op grond waarvan de procedure werd beëindigd door een administratieve nalatigheid van de overheid zelf, verenigbaar is met richtlijn 2011/92, richtlijn 2018/2001 en met de artikelen 41 en 47 van het Handvest, nu de aanvrager geen inhoudelijke beoordeling heeft verkregen.

Prejudiciële vragen: 
1. Moeten de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat de uitoefening van bevoegdheden op gebieden die onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten vallen, zoals milieu en energie, van nationale overheidsinstanties die deze bevoegdheden uitoefenen vereist dat zij de in deze artikelen verankerde beginselen toepassen, zoals het recht van de opdrachtgever op een billijke behandeling van zijn zaak, op het verkrijgen van een met redenen omklede beslissing ten gronde en op inzage in het dossier, het beginsel van transparantie, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht van verdediging? 

2. Moeten artikel 6, lid 3, en artikel 8 van richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de nationale instantie die bevoegd is voor het verlenen van een vergunning voor een hernieuwbare-energie-installatie, door na te laten om tijdens de openbare informatie- en raadplegingsprocedure verkregen verslagen en opmerkingen over te dragen, verhindert dat documenten van het voorgeschreven onderzoek in aanmerking worden genomen in de milieueffectbeoordelingsprocedure, terwijl dit er zonder meer toe leidt dat de vergunningsprocedure wordt beëindigd? 

3. Moeten de artikelen 2, 15 en 16 van richtlijn (EU) 2018/2001 van 11 december 2018 aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat het feit dat er twee verschillende procedures worden uitgevoerd (een vergunningsprocedure en een milieueffectbeoordelingsprocedure), wordt gebruikt om de behandeling daarvan te frustreren, het dossier achter te houden en, uiteindelijk, de aanleg van de betrokken installatie te bemoeilijken, met als gevolg dat een gemotiveerde beslissing ten gronde inzake de vergunningverlening, gebaseerd op de milieu- en energieaspecten van het project, uitblijft?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-575/21 WertInvest Hotelbetrieb; C-277/24 Adjak; C-383/13 G. en R.; C-471/23 Obshtina Veliko Tarnovo.

Specifiek beleidsterrein: EZK

Gerelateerde documenten