C-689/25, C-695/25, C-734/25 en C-735/25 Luneka e.a.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 2 januari 2026 Schriftelijke opmerkingen: 19 februari 2026
Trefwoorden: consumentenkredietovereenkomsten, oneerlijk bedingen, nietigverklaring, terugbetaling, consumentenbescherming
Onderwerp: Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: Artikel 6, lid1, artikel 7, lid 1.
De vier zaken hebben gemeen dat de verzoekers kredietovereenkomsten met banken hebben gesloten die oneerlijke bedingen bevatten en daarom in hun geheel nietig zijn verklaard. De verzoekers vorderen terugbetaling van de door hen betaalde aflossingen, vermeerderd met wettelijke vertragingsrente. In alle vier de procedures rijst de vraag of de nationale rechter een uitleg van het nationale recht mag hanteren die het recht van de consument aanzienlijk beperkt met betrekking tot een vordering uit onverschuldigde betaling, welke voortvloeit uit een overeenkomst die oneerlijke bedingen bevat, en of een dergelijke uitleg verenigbaar is met artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG en met de door het Unierecht vereiste waarborging van consumentenbescherming.
Prejudiciële vraag C-689/25 Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en het beginsel van doeltreffendheid in het kader van een door een verkoper met een consument gesloten kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat zonder welke zij niet kan voortbestaan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale rechtspraak op grond waarvan een door de consument afgelegde verklaring van verrekening van zijn vordering ter zake van de hoofdvordering terugwerkende kracht heeft tot op het tijdstip waarop die vordering opeisbaar is geworden, wat de gevolgen tenietdoet van het feit dat het door de verkoper verschuldigde bedrag niet tijdig is betaald en ertoe leidt dat de wettelijke vertragingsrente die de consument zonder verrekening van de verkoper had moeten ontvangen niet verschuldigd is?
Prejudiciële vraag C-695/25 Staan artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, in het licht van de beginselen dat oneerlijke contractuele bedingen de consument niet binden (artikel 6, lid 1) en dat een doeltreffende consumentenbescherming moet worden geboden (artikel 7, lid 1), eraan in de weg dat wanneer de consument verklaart een schuldvordering te willen verrekenen die voortvloeit uit een onverschuldigde prestatie die is verricht op grond van een overeenkomst die oneerlijke contractuele bedingen bevat, de rechter een uitlegging van het nationale recht hanteert die het recht van de consument op vertragingsrente over een dergelijke vordering inperkt?
Prejudiciële vraag C-734/25 Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en het beginsel van doeltreffendheid in het kader van een door een verkoper met een consument gesloten kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat zonder welke zij niet kan voortbestaan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale rechtspraak op grond waarvan een door de consument afgelegde verklaring van verrekening van zijn vordering ter zake van de hoofdvordering terugwerkende kracht heeft tot op het tijdstip waarop die vordering opeisbaar is geworden, wat de gevolgen tenietdoet van het feit dat het door de verkoper verschuldigde bedrag niet tijdig is betaald en ertoe leidt dat de wettelijke vertragingsrente die de consument zonder verrekening van de verkoper had moeten ontvangen niet verschuldigd is?
Prejudiciële vraag C-735/25 Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en het beginsel van doeltreffendheid in het kader van een door een verkoper met een consument gesloten kredietovereenkomst die in haar geheel nietig is verklaard op grond dat zij oneerlijke bedingen bevat zonder welke zij niet kan voortbestaan, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale rechtspraak op grond waarvan een door de consument afgelegde verklaring van verrekening van zijn vordering ter zake van de hoofdvordering terugwerkende kracht heeft tot op het tijdstip waarop die vordering opeisbaar is geworden, wat de gevolgen tenietdoet van het feit dat het door de verkoper verschuldigde bedrag niet tijdig is betaald en ertoe leidt dat de wettelijke vertragingsrente die de consument zonder verrekening van de verkoper had moeten ontvangen niet verschuldigd is?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-618/10 Banco Español de Crédito; C-26/13 ; C 154/15, C 307/15 en C 308/15; C-6/22 M.B. e.a. (Gevolgen van de nietigverklaring van een overeenkomst); C-28/22 Getin Noble Bank (Verjaringstermijn voor vorderingen tot terugbetaling); C-424/22 Santander Bank Polska; C-224/19 Caixabank en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria; C-35/22 Cajasur Banco; C-481/24 E. (Compensation de créances).
Specifiek beleidsterrein: JenV; EZ