C-692/25 Varshets Estate Investment   

Contentverzamelaar

C-692/25 Varshets Estate Investment   

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     2 januari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     19 februari 2026

Trefwoorden: consumentenbescherming, oneerlijke bedingen, consumentenkredietovereenkomst, betalingsbevelprocedure

Onderwerp: Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten: Artikelen 6 en 7; Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten: Artikel 10, lid 2, artikelen 17 en 23; Richtlijn 87/102/EEG betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake consumentenkrediet: Artikel 10.

In een betalingsbevelprocedure vordert Varshets Estate Investment OOD betaling op basis van een orderbriefje dat zij door endossement heeft verkregen van kredietverstrekker My Credit EOOD. De verwijzende rechter vermoedt dat het orderbriefje is afgegeven ter zekerheid van een consumentenkredietovereenkomst die oneerlijke bedingen bevat en structureel wordt gebruikt om consumenten onder druk te laten tekenen. Ter waarborging van de consumentenbescherming verzoekt de rechter verzoekster de onderliggende kredietovereenkomsten over te leggen, maar verzoekster weigert dit onder verwijzing naar tegenstrijdige nationale rechtspraak over de vraag of een rechter in een betalingsbevelprocedure de onderliggende rechtsverhouding mag onderzoeken. Daarbij wordt gewezen op het risico dat consumenten geen verzet instellen wegens onduidelijkheid over de schuldeiser en de omvang van de vordering. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het Unierecht zich verzet tegen een nationale praktijk die de rechter verbiedt om ambtshalve de onderliggende consumentenovereenkomst op te vragen en te toetsen op oneerlijke bedingen wanneer betaling wordt gevorderd op basis van een door endossement overgedragen orderbriefje.


Prejudiciële vragen: 
1. Dienen de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13/EEG en artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48/EG aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen rechtspraak volgens welke de rechter in een procedure tot het uitvaardigen van een onmiddellijk uitvoerbaar betalingsbevel op basis van een aan een derde door endossement overgedragen orderbriefje niet het bewijs mag eisen van het bestaan van een vordering uit hoofde van een onderliggende rechtsbetrekking, ook al heeft de rechter het gegronde vermoeden dat het orderbriefje tot zekerheid strekt van een verbintenis uit een consumentenovereenkomst en dit vermoeden is gebaseerd op openbare gegevens in het handelsregister en op bij de rechter ambtshalve bekende feiten over de aard van de activiteit van de nemer van de wisselbrief (namelijk het verstrekken van leningen aan consumenten), waarbij in aanmerking moet worden genomen dat er een aanzienlijk risico bestaat dat de schuldenaar geen verzet aantekent en de rechter in een executieprocedure niet bevoegd is om na te gaan of er sprake is van oneerlijke bedingen en of de twee richtlijnen zijn nageleefd? 

2. Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 alsmede artikel 17 van richtlijn 2008/48/EG en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan rechtspraak die het uitgangspunt hanteert dat het verzoek om een betalingsbevel op basis van een orderbriefje dat door endossement is overgedragen aan een derde – die weigert te voldoen aan het verzoek van de rechter om de consumentenkredietovereenkomst over te leggen op basis waarvan de wisselbrief is opgesteld en voor het bestaan waarvan de rechter een gegrond vermoeden heeft – de rechten van de consument schendt omdat 1) het aanzienlijke moeilijkheden oplevert bij de uitoefening van het consumentenbeschermingsrecht, aangezien het voor de consument moeilijk zal zijn om te beslissen of hij verzet dient aan te tekenen, daar hij moeilijk kan vaststellen op grond van welke overeenkomst hij aan welke kredietgever welk bedrag verschuldigd is en hoe hoog dat bedrag is, en of zijn verweermiddelen tegen de geëndosseerde van het orderbriefje wel doeltreffend kunnen zijn in het licht van het nationale recht dat in dit geval de bewijslast volledig bij de consument legt, 2) het een aanzienlijk risico inhoudt dat de dwingende vereisten van artikel 17 van richtlijn 2008/48/EG worden omzeild, op grond waarvan de consument op de hoogte moet worden gesteld van een wijziging van kredietgever en alle verweermiddelen van de consument tegen de nieuwe kredietgever kunnen worden ingeroepen; 3) het een inbreuk vormt op het beginsel van doeltreffende bescherming van de rechten van de consument; omdat deze wordt blootgesteld aan een aanzienlijk risico van onmiddellijke tenuitvoerlegging zonder recht op verdediging en toetsing van de overeenkomst? 

3. Moeten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, alsmede de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en rechtszekerheid, aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan rechtspraak op grond waarvan de rechter, in het geval van een verzoek om een onmiddellijk uitvoerbaar betalingsbevel op basis van een orderbriefje dat door endossement is overgedragen aan een derde, die weigert te voldoen aan het verzoek van de rechter om de consumentenkredietovereenkomst over te leggen op basis waarvan de wisselbrief is opgesteld en voor het bestaan waarvan de rechter een gegrond vermoeden heeft, dit verzoek in zijn geheel afwijst en de betrokken verzoeker erop wijst dat hij de verschuldigde kosten alsnog kan betalen en voor hetzelfde verzoek een vordering kan instellen, waarbij alle voor de schuldeiser gunstige procedurele gevolgen kunnen worden gehandhaafd en de rechter bij de beoordeling van die vordering rekening kan houden met de beginselen die zijn vastgesteld in het arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska (C-419/18 en C-483/18, EU:C:2019:930)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-176/17 Profi Credit Polska; C-419/18 en C-483/18 Profi Credit Polska; C-598/15 Banco Santander; C-32/14 ERSTE Bank Hongarije; C-34/13; C-415/11 Aziz; C-49/14 Finanmadrid EFC; C-618/10 Banco Español de Crédito; C-377/14; C-137/08; C-472/11 Banif Plus Bank; C-96/16 en C-94/17 Banco Santander en Escobedo Cortés; C-448/17 EOS KSI Slovensko; C-383/18 Lexitor; C-409/23 Riverty; C-240/98–C-244/98 Océano Grupo Editorial en Salvat Editores; C-75/19 BNP Paribas Personal Finance SA Paris Sucursala Bucureşti en Secapital. 

Specifiek beleidsterrein: EZ; FIN; JenV