C-696/25 Slovensko zavarovalno zdruzenje

Contentverzamelaar

C-696/25 Slovensko zavarovalno zdruzenje

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     1 januari 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     18 februari 2026

Trefwoorden: WA-verzekeraar, motorrijtuigen, garantiefonds, mogelijkheid van een rechtstreekse vordering

Onderwerp: Richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid van motorrijtuigen: artikel 10, lid 1; Verordening (EU) nr. 1215/2012  (Brussel I bis-verordening): artikelen 11, lid 1 en artikel 13, lid 2.

Verzoeker, woonachtig in Oostenrijk, heeft schade opgelopen op een Kroatische snelweg bij een verkeersongeval met een in Slovenië geregistreerd voertuig, dat niet tegen wettelijke aansprakelijkheid (WA) verzekerd was. Verzoeker wil zijn schade o.g.v. de uitzonderingsregel in artikel 11 Brussel I bis voor het Oostenrijkse gerecht bij het Sloveens garantiefonds verhalen, waarbij de vraag rijst of dat fonds wel aangemerkt kan worden als ‘verzekeraar’ in de zin van die verordening. Een voorwaarde voor een beroep op artikel 11 is ‘de mogelijkheid van een rechtstreekse vordering’. Verweerster heeft niet betwist dat die mogelijkheid bestaat. In die omstandigheid zou aangevoerd kunnen worden dat een verdere toetsing met het oog op het nationaal toepasselijke materiele recht, niet nodig is. De definitie van verzekeraar en de bevoegdheid van de Oostenrijkse rechter die daarvan afhangt, staan aldus ter discussie.

Prejudiciële vragen: 
1) Is een schadevergoedingsorgaan als bedoeld in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (geconsolideerde versie), als garantiefonds van de lidstaat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, waartegen een vordering betreffende een door dit voertuig in een andere lidstaat veroorzaakte materiële schade is ingesteld, tevens een verzekeraar in de zin van artikel 11, lid 1, en artikel 13, lid 2, van verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken? 

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Is het voor een beroep op de bijzondere bevoegdheid volgens artikel 11, lid 1, en artikel 13, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 in het geval van een vordering tegen een schadevergoedingsorgaan als bedoeld in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2009/103, voldoende dat verzoeker betoogt dat een rechtstreekse vordering tegen het schadevergoedingsorgaan bestaat en dit orgaan niet betwist dat een rechtstreekse vordering mogelijk is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-463/06 FBTO Schadeverzekeringen; C-340/16 MMA IARD, C-106/17 Hofsoe; C-536/23 Mutua Madrileña Automovilista.

Specifiek beleidsterrein: JenV; IenW

Gerelateerde documenten